سورة الأعراف
Soera Al-Araf in het Nederlands
De hoogten
- 7
- 206 verzen
- Mekkaans
- Juz 8–9
- Pagina’s 151–176
Mishary Rashid AlafasyMP3 downloadenPDF downloaden
Soera Al-Araf (الأعراف) is de 7e soera van de Koran en telt 206 verzen. De naam betekent ‘De hoogten’. Het is een Mekkaanse soera, geopenbaard in Mekka vóór de Hidjra, en ze strekt zich uit over juz 8 en 9.
Op deze pagina lees je soera Al-Araf volledig in het Arabisch, vers voor vers met de Nederlandse vertaling van het Dutch Islamic Center en de transliteratie, en kun je naar de recitatie luisteren.
Soera Al-Araf volledig: Arabisch, Nederlandse vertaling en transliteratie
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَـٰنِ ٱلرَّحِيمِ
-
الٓمٓصٓ١
Aliflammeemsad
Alif, Lam, Miem, Sad.1
Voetnoten
[1] Bekijk de voetnoten van vers 1 van Soera Al-Baqarah. -
كِتَـٰبٌ أُنزِلَ إِلَيْكَ فَلَا يَكُن فِى صَدْرِكَ حَرَجٌ مِّنْهُ لِتُنذِرَ بِهِۦ وَذِكْرَىٰ لِلْمُؤْمِنِينَ٢
Kitabun onzila ilayka fala yakun fee sadrika harajun minhu litunthira bihi wathikra lilmumineena
(Dit is het) boek dat aan jou neer is gezonden, laat je borst zich daarvoor niet vernauwen. Het boek is een waarschuwing en een herinnering voor de gelovigen.
-
ٱتَّبِعُوا۟ مَآ أُنزِلَ إِلَيْكُم مِّن رَّبِّكُمْ وَلَا تَتَّبِعُوا۟ مِن دُونِهِۦٓ أَوْلِيَآءَ ۗ قَلِيلًا مَّا تَذَكَّرُونَ٣
Ittabiʿoo ma onzila ilaykum min rabbikum wala tattabiʿoo min doonihi awliyaa qaleelan ma tathakkaroona
Volg wat door jullie Heer is neergezonden en volg geen bondgenoot die jullie beveelt deelgenoten in de aanbidding aan Allah toe te voegen. Weinig laten jullie zich vermanen!
-
وَكَم مِّن قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَـٰهَا فَجَآءَهَا بَأْسُنَا بَيَـٰتًا أَوْ هُمْ قَآئِلُونَ٤
Wakam min qaryatin ahlaknaha fajaaha basuna bayatan aw hum qailoona
En een groot aantal steden vernietigden Wij. Onze bestraffing kwam over hen heen gedurende de nacht, of terwijl zij hun middagslaap deden.
-
فَمَا كَانَ دَعْوَىٰهُمْ إِذْ جَآءَهُم بَأْسُنَآ إِلَّآ أَن قَالُوٓا۟ إِنَّا كُنَّا ظَـٰلِمِينَ٥
Fama kana daʿwahum ith jaahum basuna illa an qaloo inna kunna thalimeena
Geen andere kreet dan de volgende slaakten zij toen Onze bestraffing over hen kwam: “Waarlijk, wij waren onrechtvaardigen.”
-
فَلَنَسْـَٔلَنَّ ٱلَّذِينَ أُرْسِلَ إِلَيْهِمْ وَلَنَسْـَٔلَنَّ ٱلْمُرْسَلِينَ٦
Falanasalanna allatheena orsila ilayhim walanasalanna almursaleena
Dan zeker, zullen Wij die (mensen) ondervragen aan wie het was gestuurd en waarlijk, Wij zullen de boodschappers ondervragen.
-
فَلَنَقُصَّنَّ عَلَيْهِم بِعِلْمٍ ۖ وَمَا كُنَّا غَآئِبِينَ٧
Falanaqussanna ʿalayhim biʿilmin wama kunna ghaibeena
Dan zeker, Wij zullen hen (het hele verhaal) met kennis vertellen en Wij waren zeker niet afwezig.
-
وَٱلْوَزْنُ يَوْمَئِذٍ ٱلْحَقُّ ۚ فَمَن ثَقُلَتْ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْمُفْلِحُونَ٨
Waalwaznu yawmaithini alhaqqu faman thaqulat mawazeenuhu faolaika humu almuflihoona
En het afwegen (van de daden) op de Dag (van de Afrekening) zal de werkelijke (balans) aangeven. De (ware) overwinnaars zijn zij van wie de weegschaal (met hasanaat, goede daden) zwaarder (door)weegt.
-
وَمَنْ خَفَّتْ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُو۟لَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓا۟ أَنفُسَهُم بِمَا كَانُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا يَظْلِمُونَ٩
Waman khaffat mawazeenuhu faolaika allatheena khasiroo anfusahum bima kanoo biayatina yathlimoona
En zij die een lichte schaal hebben (door overwegende zonden), dat zijn de (ware) verliezers door hun eigen toedoen door hun ontkenning van Onze tekenen.
-
وَلَقَدْ مَكَّنَّـٰكُمْ فِى ٱلْأَرْضِ وَجَعَلْنَا لَكُمْ فِيهَا مَعَـٰيِشَ ۗ قَلِيلًا مَّا تَشْكُرُونَ١٠
Walaqad makkannakum fee alardi wajaʿalna lakum feeha maʿayisha qaleelan ma tashkuroona
En zeker, Wij gaven jullie gezag over de aarde en wezen voor jullie daarin levensonderhoud aan. Weinig is de dank die jullie geven.
-
وَلَقَدْ خَلَقْنَـٰكُمْ ثُمَّ صَوَّرْنَـٰكُمْ ثُمَّ قُلْنَا لِلْمَلَـٰٓئِكَةِ ٱسْجُدُوا۟ لِـَٔادَمَ فَسَجَدُوٓا۟ إِلَّآ إِبْلِيسَ لَمْ يَكُن مِّنَ ٱلسَّـٰجِدِينَ١١
Walaqad khalaqnakum thumma sawwarnakum thumma qulna lilmalaikati osjudoo liadama fasajadoo illa ibleesa lam yakun mina alssajideena
En zeker, Wij hebben jullie geschapen en hebben jullie vorm gegeven. Toen hebben Wij de engelen verteld: “Kniel neer voor Adam,” en zij knielden neer, behalve Iblies: hij weigerde om één van de knielenden te zijn.
-
قَالَ مَا مَنَعَكَ أَلَّا تَسْجُدَ إِذْ أَمَرْتُكَ ۖ قَالَ أَنَا۠ خَيْرٌ مِّنْهُ خَلَقْتَنِى مِن نَّارٍ وَخَلَقْتَهُۥ مِن طِينٍ١٢
Qala ma manaʿaka alla tasjuda ith amartuka qala ana khayrun minhu khalaqtanee min narin wakhalaqtahu min teenin
(Allah) zei: “Wat weerhoud je ervan om te knielen wanneer Ik jou dat beveel?” Iblies zei: “Ik ben beter dan hem. Mij heeft U uit vuur geschapen terwijl U hem uit klei hebt geschapen.”
-
قَالَ فَٱهْبِطْ مِنْهَا فَمَا يَكُونُ لَكَ أَن تَتَكَبَّرَ فِيهَا فَٱخْرُجْ إِنَّكَ مِنَ ٱلصَّـٰغِرِينَ١٣
Qala faihbit minha fama yakoonu laka an tatakabbara feeha faokhruj innaka mina alssaghireena
(Allah) zei: “Daal af uit dit paradijs, het is niet aan jou om hier hooghartig te zijn. Verdwijn, want jij bent iemand van degene die vernederd en verworpen is.”
-
قَالَ أَنظِرْنِىٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ١٤
Qala anthirnee ila yawmi yubʿathoona
(Iblies) zei: “Geef mij uitstel tot de dag waarop zij allen herrijzen.”
-
قَالَ إِنَّكَ مِنَ ٱلْمُنظَرِينَ١٥
Qala innaka mina almunthareena
(Allah ) zei: “Jij bent één van degenen die uitstel heeft gekregen (tot aan de eerste bazuinstoot).”
-
قَالَ فَبِمَآ أَغْوَيْتَنِى لَأَقْعُدَنَّ لَهُمْ صِرَٰطَكَ ٱلْمُسْتَقِيمَ١٦
Qala fabima aghwaytanee laaqʿudanna lahum sirataka almustaqeema
(Iblies) zei: “En omdat U mij hebt doen dwalen, zal ik hen (de kinderen van Adam) zeker opwachten aan de rechte weg (dat naar U leidt).
-
ثُمَّ لَـَٔاتِيَنَّهُم مِّنۢ بَيْنِ أَيْدِيهِمْ وَمِنْ خَلْفِهِمْ وَعَنْ أَيْمَـٰنِهِمْ وَعَن شَمَآئِلِهِمْ ۖ وَلَا تَجِدُ أَكْثَرَهُمْ شَـٰكِرِينَ١٧
Thumma laatiyannahum min bayni aydeehim wamin khalfihim waʿan aymanihim waʿan shamailihim wala tajidu aktharahum shakireena
Vervolgens benader ik hen langs voor en langs achter, van links en van rechts1. En de meesten van hen zult U niet als dankbare (gelovigen) ontmoeten.”
Voetnoten
[1] Volgens Ibn ‘Abbaas is het voor Iblies onmogelijk om de mens langs boven te benaderen omdat niets of niemand zich tussen een dienaar en Allahs genade kan plaatsen. -
قَالَ ٱخْرُجْ مِنْهَا مَذْءُومًا مَّدْحُورًا ۖ لَّمَن تَبِعَكَ مِنْهُمْ لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنكُمْ أَجْمَعِينَ١٨
Qala okhruj minha mathooman madhooran laman tabiʿaka minhum laamlaanna jahannama minkum ajmaʿeena
(Allah) zei (tegen Iblies): “Verlaat dit (paradijs) verworpen en uitgebannen. Wie van (de mensheid) jou volgt, daar zal Ik zeker de hel mee vullen.”
-
وَيَـٰٓـَٔادَمُ ٱسْكُنْ أَنتَ وَزَوْجُكَ ٱلْجَنَّةَ فَكُلَا مِنْ حَيْثُ شِئْتُمَا وَلَا تَقْرَبَا هَـٰذِهِ ٱلشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ ٱلظَّـٰلِمِينَ١٩
Waya adamu oskun anta wazawjuka aljannata fakula min haythu shituma wala taqraba hathihi alshshajarata fatakoona mina alththalimeena
“En, o Adam! Woon met je vrouw in het paradijs en eet wat jullie beiden wensen, maar nader niet deze boom, want anders zullen jullie beiden tot de onrechtvaardigen behoren.”
-
فَوَسْوَسَ لَهُمَا ٱلشَّيْطَـٰنُ لِيُبْدِىَ لَهُمَا مَا وُۥرِىَ عَنْهُمَا مِن سَوْءَٰتِهِمَا وَقَالَ مَا نَهَىٰكُمَا رَبُّكُمَا عَنْ هَـٰذِهِ ٱلشَّجَرَةِ إِلَّآ أَن تَكُونَا مَلَكَيْنِ أَوْ تَكُونَا مِنَ ٱلْخَـٰلِدِينَ٢٠
Fawaswasa lahuma alshshaytanu liyubdiya lahuma ma wooriya ʿanhuma min sawatihima waqala ma nahakuma rabbukuma ʿan hathihi alshshajarati illa an takoona malakayni aw takoona mina alkhalideena
Toen fluisterde Shaytaan hen beiden in om te onthullen wat er van hun schaamte over was. En hij zei: “Jullie Heer heeft jullie deze boom slechts verboden (uit ‘afkeer’) dat jullie anders in engelen zouden veranderen of tot de onsterfelijken zouden behoren.”
-
وَقَاسَمَهُمَآ إِنِّى لَكُمَا لَمِنَ ٱلنَّـٰصِحِينَ٢١
Waqasamahuma innee lakuma lamina alnnasiheena
En hij (Shaytaan) zwoer hen bij Allah: “Waarlijk, ik ben slechts jullie oprechte adviseur.”
-
فَدَلَّىٰهُمَا بِغُرُورٍ ۚ فَلَمَّا ذَاقَا ٱلشَّجَرَةَ بَدَتْ لَهُمَا سَوْءَٰتُهُمَا وَطَفِقَا يَخْصِفَانِ عَلَيْهِمَا مِن وَرَقِ ٱلْجَنَّةِ ۖ وَنَادَىٰهُمَا رَبُّهُمَآ أَلَمْ أَنْهَكُمَا عَن تِلْكُمَا ٱلشَّجَرَةِ وَأَقُل لَّكُمَآ إِنَّ ٱلشَّيْطَـٰنَ لَكُمَا عَدُوٌّ مُّبِينٌ٢٢
Fadallahuma bighuroorin falamma thaqa alshshajarata badat lahuma sawatuhuma watafiqa yakhsifani ʿalayhima min waraqi aljannati wanadahuma rabbuhuma alam anhakuma ʿan tilkuma alshshajarati waaqul lakuma inna alshshaytana lakuma ʿaduwwun mubeenun
Zo misleidde hij hen door verwarring. Toen zij van de boom geproefd hadden, werd datgene wat voor hun schaamte verborgen was geweest voor hen duidelijk en zij begonnen de bladeren van het paradijs samen te voegen voor henzelf. En hun Heer riep hen (zeggende): “Heb Ik jullie die boom niet verboden en jullie verteld: “Waarlijk, Shaytaan is een openlijke vijand voor jullie?”
-
قَالَا رَبَّنَا ظَلَمْنَآ أَنفُسَنَا وَإِن لَّمْ تَغْفِرْ لَنَا وَتَرْحَمْنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلْخَـٰسِرِينَ٢٣
Qala rabbana thalamna anfusana wain lam taghfir lana watarhamna lanakoonanna mina alkhasireena
Zij zeiden: “O Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan (d.m.v. zonden). Als U ons niet vergeeft en ons Uw genade niet schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren.”
-
قَالَ ٱهْبِطُوا۟ بَعْضُكُمْ لِبَعْضٍ عَدُوٌّ ۖ وَلَكُمْ فِى ٱلْأَرْضِ مُسْتَقَرٌّ وَمَتَـٰعٌ إِلَىٰ حِينٍ٢٤
Qala ihbitoo baʿdukum libaʿdin ʿaduwwun walakum fee alardi mustaqarrun wamataʿun ila heenin
(Allah) zei: “Daal af, ieder van jullie is een vijand voor de ander. Op aarde zal er een woonplaats voor jullie zijn en - voor een zekere tijd – vermaak.”
-
قَالَ فِيهَا تَحْيَوْنَ وَفِيهَا تَمُوتُونَ وَمِنْهَا تُخْرَجُونَ٢٥
Qala feeha tahyawna wafeeha tamootoona waminha tukhrajoona
Hij zei: “Daar zullen jullie leven en daar zullen jullie sterven en daarvan zullen jullie op gebracht worden.”
-
يَـٰبَنِىٓ ءَادَمَ قَدْ أَنزَلْنَا عَلَيْكُمْ لِبَاسًا يُوَٰرِى سَوْءَٰتِكُمْ وَرِيشًا ۖ وَلِبَاسُ ٱلتَّقْوَىٰ ذَٰلِكَ خَيْرٌ ۚ ذَٰلِكَ مِنْ ءَايَـٰتِ ٱللَّهِ لَعَلَّهُمْ يَذَّكَّرُونَ٢٦
Ya banee adama qad anzalna ʿalaykum libasan yuwaree sawatikum wareeshan walibasu alttaqwa thalika khayrun thalika min ayati Allahi laʿallahum yaththakkaroona
O kinderen van Adam! Wij hebben jullie kleding gegeven, zodat jullie jezelf kunnen bedekken en versieren. Maar de kleding van de rechtvaardigheid is beter. Dit is onder de tekenen van Allah, dat zij het overdenken.
-
يَـٰبَنِىٓ ءَادَمَ لَا يَفْتِنَنَّكُمُ ٱلشَّيْطَـٰنُ كَمَآ أَخْرَجَ أَبَوَيْكُم مِّنَ ٱلْجَنَّةِ يَنزِعُ عَنْهُمَا لِبَاسَهُمَا لِيُرِيَهُمَا سَوْءَٰتِهِمَآ ۗ إِنَّهُۥ يَرَىٰكُمْ هُوَ وَقَبِيلُهُۥ مِنْ حَيْثُ لَا تَرَوْنَهُمْ ۗ إِنَّا جَعَلْنَا ٱلشَّيَـٰطِينَ أَوْلِيَآءَ لِلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ٢٧
Ya banee adama la yaftinannakumu alshshaytanu kama akhraja abawaykum mina aljannati yanziʿu ʿanhuma libasahuma liyuriyahuma sawatihima innahu yarakum huwa waqabeeluhu min haythu la tarawnahum inna jaʿalna alshshayateena awliyaa lillatheena la yuminoona
O kinderen van Adam! Laat Shaytaan jullie niet bedriegen (door hem te volgen). Want hij heeft ervoor gezorgd dat jullie ouders het paradijs moesten verlaten en hij heeft hen van hun kleding ontdaan om hun geslachtsdelen te tonen. Waarlijk, hij (de duivel) en zijn trawanten zien jullie op een manier waarop jullie dat niet kunnen. Waarlijk, Wij hebben de duivels aangesteld als helpers (en zielsverwanten) van de ongelovigen.
-
وَإِذَا فَعَلُوا۟ فَـٰحِشَةً قَالُوا۟ وَجَدْنَا عَلَيْهَآ ءَابَآءَنَا وَٱللَّهُ أَمَرَنَا بِهَا ۗ قُلْ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَأْمُرُ بِٱلْفَحْشَآءِ ۖ أَتَقُولُونَ عَلَى ٱللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ٢٨
Waitha faʿaloo fahishatan qaloo wajadna ʿalayha abaana waAllahu amarana biha qul inna Allaha la yamuru bialfahshai ataqooloona ʿala Allahi ma la taʿlamoona
En als zij een kwade daad begaan zeggen zij: “Onze vaders hebben het ook gedaan en Allah heeft het ons bevolen.” Zeg: “Voorwaar, Allah beveelt nooit een kwade daad. Zeggen jullie iets van Allah waar jullie geen weet van hebben?”
-
قُلْ أَمَرَ رَبِّى بِٱلْقِسْطِ ۖ وَأَقِيمُوا۟ وُجُوهَكُمْ عِندَ كُلِّ مَسْجِدٍ وَٱدْعُوهُ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ ۚ كَمَا بَدَأَكُمْ تَعُودُونَ٢٩
Qul amara rabbee bialqisti waaqeemoo wujoohakum ʿinda kulli masjidin waodʿoohu mukhliseena lahu alddeena kama badaakum taʿoodoona
Zeg: “Mijn Heer heeft rechtvaardigheid bevolen en (zegt) dat jullie slechts Hem moeten aankijken in elke plaats van aanbidding, in gebeden en slechts Hem aanroepen en je godsdienst oprecht aan Hem wijden door in de aanbidding Hem geen deelgenoten toe te kennen en met de intentie dat jullie jullie daden slechts voor Allah verrichten. Zoals Hij jullie in het begin gebracht heeft, zo zullen jullie het wezenlijke krijgen."
-
فَرِيقًا هَدَىٰ وَفَرِيقًا حَقَّ عَلَيْهِمُ ٱلضَّلَـٰلَةُ ۗ إِنَّهُمُ ٱتَّخَذُوا۟ ٱلشَّيَـٰطِينَ أَوْلِيَآءَ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَيَحْسَبُونَ أَنَّهُم مُّهْتَدُونَ٣٠
Fareeqan hada wafareeqan haqqa ʿalayhimu alddalalatu innahumu ittakhathoo alshshayateena awliyaa min dooni Allahi wayahsaboona annahum muhtadoona
Een groep die Hij geleid heeft en een groep die het verdiend dwalend te zijn (omdat) zij zeker de duivels als bondgenoten hebben genomen in plaats van Allah en dachten dat zij geleid waren.
-
۞ يَـٰبَنِىٓ ءَادَمَ خُذُوا۟ زِينَتَكُمْ عِندَ كُلِّ مَسْجِدٍ وَكُلُوا۟ وَٱشْرَبُوا۟ وَلَا تُسْرِفُوٓا۟ ۚ إِنَّهُۥ لَا يُحِبُّ ٱلْمُسْرِفِينَ٣١
Ya banee adama khuthoo zeenatakum ʿinda kulli masjidin wakuloo waishraboo wala tusrifoo innahu la yuhibbu almusrifeena
O kinderen van Adam, kleed jullie goed en mooi voor het gebed en bij de rondgang van iedere moskee. En eet en drink (wat jullie maar willen), maar verspil niet door buitensporigheid. Voorzeker, Hij houdt niet van de verkwisters.
-
قُلْ مَنْ حَرَّمَ زِينَةَ ٱللَّهِ ٱلَّتِىٓ أَخْرَجَ لِعِبَادِهِۦ وَٱلطَّيِّبَـٰتِ مِنَ ٱلرِّزْقِ ۚ قُلْ هِىَ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا خَالِصَةً يَوْمَ ٱلْقِيَـٰمَةِ ۗ كَذَٰلِكَ نُفَصِّلُ ٱلْـَٔايَـٰتِ لِقَوْمٍ يَعْلَمُونَ٣٢
Qul man harrama zeenata Allahi allatee akhraja liʿibadihi waalttayyibati mina alrrizqi qul hiya lillatheena amanoo fee alhayati alddunya khalisatan yawma alqiyamati kathalika nufassilu alayati liqawmin yaʿlamoona
Zeg: “Wie heeft de versiering met kleding door Allah gegeven verboden, wat Hij voor Zijn slaven gemaakt heeft en het goede van het eten?” Zeg: “Zij zijn in het leven van deze wereld, voor degenen die geloven (en) speciaal voor hen (gelovigen) op de dag der opstanding.” Dus leggen Wij de Islamitische wetten precies uit voor de mensen die kennis hebben.
-
قُلْ إِنَّمَا حَرَّمَ رَبِّىَ ٱلْفَوَٰحِشَ مَا ظَهَرَ مِنْهَا وَمَا بَطَنَ وَٱلْإِثْمَ وَٱلْبَغْىَ بِغَيْرِ ٱلْحَقِّ وَأَن تُشْرِكُوا۟ بِٱللَّهِ مَا لَمْ يُنَزِّلْ بِهِۦ سُلْطَـٰنًا وَأَن تَقُولُوا۟ عَلَى ٱللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ٣٣
Qul innama harrama rabbiya alfawahisha ma thahara minha wama batana waalithma waalbaghya bighayri alhaqqi waan tushrikoo biAllahi ma lam yunazzil bihi sultanan waan taqooloo ʿala Allahi ma la taʿlamoona
Zeg: “(Maar) de zaken die mijn Heer verboden heeft zijn grote kwade zonden of deze nu openlijk of in het verborgene gepleegd worden, (alle soorten) zonden, onrechtvaardige onderdrukking, deelgenoten (in de aanbidding) toekennen aan Allah, waarvoor Hij geen toestemming heeft gegeven en zaken over Allah zeggen waar jullie geen kennis over hebben.”
-
وَلِكُلِّ أُمَّةٍ أَجَلٌ ۖ فَإِذَا جَآءَ أَجَلُهُمْ لَا يَسْتَأْخِرُونَ سَاعَةً ۖ وَلَا يَسْتَقْدِمُونَ٣٤
Walikulli ommatin ajalun faitha jaa ajaluhum la yastakhiroona saʿatan wala yastaqdimoona
En elk volk heeft zijn aangewezen tijd: als die tijd is aangebroken kon noch een uur het vertragen noch een uur kan het bespoedigen.
-
يَـٰبَنِىٓ ءَادَمَ إِمَّا يَأْتِيَنَّكُمْ رُسُلٌ مِّنكُمْ يَقُصُّونَ عَلَيْكُمْ ءَايَـٰتِى ۙ فَمَنِ ٱتَّقَىٰ وَأَصْلَحَ فَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ٣٥
Ya banee adama imma yatiyannakum rusulun minkum yaqussoona ʿalaykum ayatee famani ittaqa waaslaha fala khawfun ʿalayhim wala hum yahzanoona
O kinderen van Adam! Als er boodschappers tot jullie komen vanuit jullie midden, voor jullie Mijn verzen reciterend, dan zal voor ieder die vroom en rechtvaardig wordt geen vrees zijn, noch zullen zij bedroefd zijn.
-
وَٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا وَٱسْتَكْبَرُوا۟ عَنْهَآ أُو۟لَـٰٓئِكَ أَصْحَـٰبُ ٱلنَّارِ ۖ هُمْ فِيهَا خَـٰلِدُونَ٣٦
Waallatheena kaththaboo biayatina waistakbaroo ʿanha olaika ashabu alnnari hum feeha khalidoona
Maar degenen die Onze tekenen verwerpen en hen arrogant behandelen, zij zullen de bewoners van het hellevuur zijn en zij zullen daarin voor altijd verblijven.
-
فَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا أَوْ كَذَّبَ بِـَٔايَـٰتِهِۦٓ ۚ أُو۟لَـٰٓئِكَ يَنَالُهُمْ نَصِيبُهُم مِّنَ ٱلْكِتَـٰبِ ۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَتْهُمْ رُسُلُنَا يَتَوَفَّوْنَهُمْ قَالُوٓا۟ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ ۖ قَالُوا۟ ضَلُّوا۟ عَنَّا وَشَهِدُوا۟ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمْ أَنَّهُمْ كَانُوا۟ كَـٰفِرِينَ٣٧
Faman athlamu mimmani iftara ʿala Allahi kathiban aw kaththaba biayatihi olaika yanaluhum naseebuhum mina alkitabi hatta itha jaathum rusuluna yatawaffawnahum qaloo ayna ma kuntum tadʿoona min dooni Allahi qaloo dalloo ʿanna washahidoo ʿala anfusihim annahum kanoo kafireena
Wie is er onrechtvaardiger dan degenen die een leugen over Allah verzint of Zijn tekenen verwerpt? Voor diegenen zal hun aangewezen portie hen bereiken van het boek (der beslissingen) tot Onze boodschappers tot hen komen en hun ziel nemen, zij (de engelen) zullen zeggen: “Waar zijn degenen die jullie gewoonlijk naast Allah aanriepen.” Zij zullen antwoorden: “Zij zijn verdwenen en hebben ons verlaten.” En zij zullen tegen zichzelf getuigen dat zij ongelovigen waren.
-
قَالَ ٱدْخُلُوا۟ فِىٓ أُمَمٍ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِكُم مِّنَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ فِى ٱلنَّارِ ۖ كُلَّمَا دَخَلَتْ أُمَّةٌ لَّعَنَتْ أُخْتَهَا ۖ حَتَّىٰٓ إِذَا ٱدَّارَكُوا۟ فِيهَا جَمِيعًا قَالَتْ أُخْرَىٰهُمْ لِأُولَىٰهُمْ رَبَّنَا هَـٰٓؤُلَآءِ أَضَلُّونَا فَـَٔاتِهِمْ عَذَابًا ضِعْفًا مِّنَ ٱلنَّارِ ۖ قَالَ لِكُلٍّ ضِعْفٌ وَلَـٰكِن لَّا تَعْلَمُونَ٣٨
Qala odkhuloo fee omamin qad khalat min qablikum mina aljinni waalinsi fee alnnari kullama dakhalat ommatun laʿanat okhtaha hatta itha iddarakoo feeha jameeʿan qalat okhrahum lioolahum rabbana haolai adalloona faatihim ʿathaban diʿfan mina alnnari qala likullin diʿfun walakin la taʿlamoona
(Op de Dag der Opstanding) zegt (Allah): “Treed toe tot de volkeren van djinn en mens die (reeds zijn heengegaan en) jullie zijn voorgegaan in de hel.” Ieder maal als een nieuw volk naar binnen gaat, vervloekt het zijn broedervolk (dat voor hen ging), tot zij allen tezamen in het vuur zijn. De laatste van hen zal tegen de eerste zeggen: “Onze Heer! Deze hebben ons misleid, geef hem een dubbele bestraffing van het vuur.” Hij zal zeggen: ”Voor ieder van jullie is er een dubbele (bestraffing), maar jullie weten het niet.”
-
وَقَالَتْ أُولَىٰهُمْ لِأُخْرَىٰهُمْ فَمَا كَانَ لَكُمْ عَلَيْنَا مِن فَضْلٍ فَذُوقُوا۟ ٱلْعَذَابَ بِمَا كُنتُمْ تَكْسِبُونَ٣٩
Waqalat oolahum liokhrahum fama kana lakum ʿalayna min fadlin fathooqoo alʿathaba bima kuntum taksiboona
De eerste van hen zal tegen de laatste van hen zeggen: “Jullie waren niet beter dan ons, proef dus de bestraffing die jullie verdienden.”
-
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا وَٱسْتَكْبَرُوا۟ عَنْهَا لَا تُفَتَّحُ لَهُمْ أَبْوَٰبُ ٱلسَّمَآءِ وَلَا يَدْخُلُونَ ٱلْجَنَّةَ حَتَّىٰ يَلِجَ ٱلْجَمَلُ فِى سَمِّ ٱلْخِيَاطِ ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُجْرِمِينَ٤٠
Inna allatheena kaththaboo biayatina waistakbaroo ʿanha la tufattahu lahum abwabu alssamai wala yadkhuloona aljannata hatta yalija aljamalu fee sammi alkhiyati wakathalika najzee almujrimeena
Waarlijk, degenen die Onze tekenen naast zich neer leggen en ze met arrogantie behandelen, voor hen zullen de poorten van de hemel zich niet openen en zij zullen het paradijs niet binnen gaan tot de kameel door het oog van de naald gaat. Zo vergoeden Wij de misdadigers.
-
لَهُم مِّن جَهَنَّمَ مِهَادٌ وَمِن فَوْقِهِمْ غَوَاشٍ ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلظَّـٰلِمِينَ٤١
Lahum min jahannama mihadun wamin fawqihim ghawashin wakathalika najzee alththalimeena
Er zal een bed van hellevuur zijn en zij worden met het (hellevuur) bedekt. Zo vergoeden Wij de onrechtvaardigen.
-
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّـٰلِحَـٰتِ لَا نُكَلِّفُ نَفْسًا إِلَّا وُسْعَهَآ أُو۟لَـٰٓئِكَ أَصْحَـٰبُ ٱلْجَنَّةِ ۖ هُمْ فِيهَا خَـٰلِدُونَ٤٢
Waallatheena amanoo waʿamiloo alssalihati la nukallifu nafsan illa wusʿaha olaika ashabu aljannati hum feeha khalidoona
Maar degenen die geloven en goede daden verrichten – Wij belasten niemand boven zijn vermogen, dat zijn de bewoners van het paradijs. Zij zullen daarin verblijven.
-
وَنَزَعْنَا مَا فِى صُدُورِهِم مِّنْ غِلٍّ تَجْرِى مِن تَحْتِهِمُ ٱلْأَنْهَـٰرُ ۖ وَقَالُوا۟ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى هَدَىٰنَا لِهَـٰذَا وَمَا كُنَّا لِنَهْتَدِىَ لَوْلَآ أَنْ هَدَىٰنَا ٱللَّهُ ۖ لَقَدْ جَآءَتْ رُسُلُ رَبِّنَا بِٱلْحَقِّ ۖ وَنُودُوٓا۟ أَن تِلْكُمُ ٱلْجَنَّةُ أُورِثْتُمُوهَا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ٤٣
Wanazaʿna ma fee sudoorihim min ghillin tajree min tahtihimu alanharu waqaloo alhamdu lillahi allathee hadana lihatha wama kunna linahtadiya lawla an hadana Allahu laqad jaat rusulu rabbina bialhaqqi wanoodoo an tilkumu aljannatu oorithtumooha bima kuntum taʿmaloona
En Wij zullen uit hun borsten gevoelens van haat en pijn verwijderen; rivieren stromen onder hen en zij zullen zeggen: “Alle lof en dank is aan Allah, Die ons hiertoe geleid heeft, nooit hadden wij de leiding kunnen vinden, ware het niet dat Allah ons geleid heeft! Waarlijk, de boodschappers van Onze Heer zijn met de waarheid gekomen.” En er zal tot hen geroepen worden: “Dit is het paradijs wat jullie geërfd hebben door wat jullie gedaan hebben.”
-
وَنَادَىٰٓ أَصْحَـٰبُ ٱلْجَنَّةِ أَصْحَـٰبَ ٱلنَّارِ أَن قَدْ وَجَدْنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقًّا فَهَلْ وَجَدتُّم مَّا وَعَدَ رَبُّكُمْ حَقًّا ۖ قَالُوا۟ نَعَمْ ۚ فَأَذَّنَ مُؤَذِّنٌۢ بَيْنَهُمْ أَن لَّعْنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلظَّـٰلِمِينَ٤٤
Wanada ashabu aljannati ashaba alnnari an qad wajadna ma waʿadana rabbuna haqqan fahal wajadtum ma waʿada rabbukum haqqan qaloo naʿam faaththana muaththinun baynahum an laʿnatu Allahi ʿala alththalimeena
En de bewoners van het paradijs zullen tegen de bewoners van het vuur roepen: “Wij hebben zeker ontdekt dat het waar is wat onze Heer ons beloofd heeft; hebben jullie ook ontdekt dat het waar is wat jullie Heer jullie beloofd heeft?” Zij zullen zeggen: “Ja.” Dan zal een roeper tussen hen verklaren: “De vloek van Allah is over de onrechtvaardigen.”
-
ٱلَّذِينَ يَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا وَهُم بِٱلْـَٔاخِرَةِ كَـٰفِرُونَ٤٥
Allatheena yasuddoona ʿan sabeeli Allahi wayabghoonaha ʿiwajan wahum bialakhirati kafiroona
Degenen die (de mens) op het pad van Allah hinderen en het krom lijken te maken, zij waren ongelovig aan het hiernamaals.
-
وَبَيْنَهُمَا حِجَابٌ ۚ وَعَلَى ٱلْأَعْرَافِ رِجَالٌ يَعْرِفُونَ كُلًّۢا بِسِيمَىٰهُمْ ۚ وَنَادَوْا۟ أَصْحَـٰبَ ٱلْجَنَّةِ أَن سَلَـٰمٌ عَلَيْكُمْ ۚ لَمْ يَدْخُلُوهَا وَهُمْ يَطْمَعُونَ٤٦
Wabaynahuma hijabun waʿala alaʿrafi rijalun yaʿrifoona kullan biseemahum wanadaw ashaba aljannati an salamun ʿalaykum lam yadkhulooha wahum yatmaʿoona
En tussen hen zal een barrière zijn en op de 'Araaf bevinden (een muur) zich mannen die eenieder herkennen aan hun kenmerken. Zij roepen naar de bewoners van het paradijs: “Vrede zij met jullie!” en op die tijd zijn zij het paradijs nog niet binnengegaan, maar zij hopen zeker daar naar binnen te gaan.
-
۞ وَإِذَا صُرِفَتْ أَبْصَـٰرُهُمْ تِلْقَآءَ أَصْحَـٰبِ ٱلنَّارِ قَالُوا۟ رَبَّنَا لَا تَجْعَلْنَا مَعَ ٱلْقَوْمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ٤٧
Waitha surifat absaruhum tilqaa ashabi alnnari qaloo rabbana la tajʿalna maʿa alqawmi alththalimeena
En als hun ogen zich tot de bewoners van het vuur richten, zullen zij zeggen: ”Onze Heer! Zet ons niet bij de mensen die onrechtvaardig zijn.”
-
وَنَادَىٰٓ أَصْحَـٰبُ ٱلْأَعْرَافِ رِجَالًا يَعْرِفُونَهُم بِسِيمَىٰهُمْ قَالُوا۟ مَآ أَغْنَىٰ عَنكُمْ جَمْعُكُمْ وَمَا كُنتُمْ تَسْتَكْبِرُونَ٤٨
Wanada ashabu alaʿrafi rijalan yaʿrifoonahum biseemahum qaloo ma aghna ʿankum jamʿukum wama kuntum tastakbiroona
En als de mensen van de muur roepen naar de mensen die zij door hun merktekenen herkennen, roepen, zeggende: “Jullie grote getale waren jullie niet tot nut en (en ook met) jullie arrogantie tegen het geloof.”
-
أَهَـٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ أَقْسَمْتُمْ لَا يَنَالُهُمُ ٱللَّهُ بِرَحْمَةٍ ۚ ٱدْخُلُوا۟ ٱلْجَنَّةَ لَا خَوْفٌ عَلَيْكُمْ وَلَآ أَنتُمْ تَحْزَنُونَ٤٩
Ahaolai allatheena aqsamtum la yanaluhumu Allahu birahmatin odkhuloo aljannata la khawfun ʿalaykum wala antum tahzanoona
Zijn dit degenen waarvan jullie zwoeren dat Allah hen nooit genade zou tonen? (Let op! Er is tegen hen gezegd): “Ga het paradijs binnen, geen angst zal jullie treffen noch zullen jullie bedroefd zijn.”
-
وَنَادَىٰٓ أَصْحَـٰبُ ٱلنَّارِ أَصْحَـٰبَ ٱلْجَنَّةِ أَنْ أَفِيضُوا۟ عَلَيْنَا مِنَ ٱلْمَآءِ أَوْ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُ ۚ قَالُوٓا۟ إِنَّ ٱللَّهَ حَرَّمَهُمَا عَلَى ٱلْكَـٰفِرِينَ٥٠
Wanada ashabu alnari ashaba aljannati an afeedoo ʿalayna mina almai aw mimma razaqakumu Allahu qaloo inna Allaha harramahuma ʿala alkafireena
En de bewoners van het vuur zullen tegen de bewoners van het paradijs roepen: “Giet over ons wat water of iets waarmee Allah jullie voorzien heeft.” Zij zullen zeggen “Beiden heeft Allah voor de ongelovigen verboden.”
-
ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ دِينَهُمْ لَهْوًا وَلَعِبًا وَغَرَّتْهُمُ ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا ۚ فَٱلْيَوْمَ نَنسَىٰهُمْ كَمَا نَسُوا۟ لِقَآءَ يَوْمِهِمْ هَـٰذَا وَمَا كَانُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا يَجْحَدُونَ٥١
Allatheena ittakhathoo deenahum lahwan walaʿiban wagharrathumu alhayatu alddunya faalyawma nansahum kama nasoo liqaa yawmihim hatha wama kanoo biayatina yajhadoona
Degene die hun godsdienst als plezier en vermaak beschouwden, merkt dat het leven van de wereld hen bedrogen heeft.” Dus op deze dag zullen Wij hen vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en zoals zij Onze tekenen verwierpen.
-
وَلَقَدْ جِئْنَـٰهُم بِكِتَـٰبٍ فَصَّلْنَـٰهُ عَلَىٰ عِلْمٍ هُدًى وَرَحْمَةً لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ٥٢
Walaqad jinahum bikitabin fassalnahu ʿala ʿilmin hudan warahmatan liqawmin yuminoona
Zeker, Wij hebben tot hen een boek gebracht, wat Wij nauwkeurig met kennis uitlegden: in een leiding en een genade voor de mensen die geloven.
-
هَلْ يَنظُرُونَ إِلَّا تَأْوِيلَهُۥ ۚ يَوْمَ يَأْتِى تَأْوِيلُهُۥ يَقُولُ ٱلَّذِينَ نَسُوهُ مِن قَبْلُ قَدْ جَآءَتْ رُسُلُ رَبِّنَا بِٱلْحَقِّ فَهَل لَّنَا مِن شُفَعَآءَ فَيَشْفَعُوا۟ لَنَآ أَوْ نُرَدُّ فَنَعْمَلَ غَيْرَ ٱلَّذِى كُنَّا نَعْمَلُ ۚ قَدْ خَسِرُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَفْتَرُونَ٥٣
Hal yanthuroona illa taweelahu yawma yatee taweeluhu yaqoolu allatheena nasoohu min qablu qad jaat rusulu rabbina bialhaqqi fahal lana min shufaʿaa fayashfaʿoo lana aw nuraddu fanaʿmala ghayra allathee kunna naʿmalu qad khasiroo anfusahum wadalla ʿanhum ma kanoo yaftaroona
Wachten zij alleen maar op de uiteindelijke vervulling van de gebeurtenis (de straf van Allah)? Op de dag dat de gebeurtenis uiteindelijk vervuld is, zullen degenen die het vroeger negeerden zeggen: “Waarlijk, de boodschappers van Onze Heer zijn in waarheid gekomen, zijn er nu bemiddelaars voor ons, zodat zij kunnen bemiddelen? Of kunnen wij terug gestuurd worden, zodat wij daden kunnen verrichten anders dan de daden die wij deden?” Waarlijk, zij hebben zichzelf verloren en datgene wat zij maakten is van hen verdwenen.
-
إِنَّ رَبَّكُمُ ٱللَّهُ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ فِى سِتَّةِ أَيَّامٍ ثُمَّ ٱسْتَوَىٰ عَلَى ٱلْعَرْشِ يُغْشِى ٱلَّيْلَ ٱلنَّهَارَ يَطْلُبُهُۥ حَثِيثًا وَٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ وَٱلنُّجُومَ مُسَخَّرَٰتٍۭ بِأَمْرِهِۦٓ ۗ أَلَا لَهُ ٱلْخَلْقُ وَٱلْأَمْرُ ۗ تَبَارَكَ ٱللَّهُ رَبُّ ٱلْعَـٰلَمِينَ٥٤
Inna rabbakumu Allahu allathee khalaqa alssamawati waalarda fee sittati ayyamin thumma istawa ʿala alʿarshi yughshee allayla alnnahara yatlubuhu hatheethan waalshshamsa waalqamara waalnnujooma musakhkharatin biamrihi ala lahu alkhalqu waalamru tabaraka Allahu rabbu alʿalameena
Waarlijk, jullie Heer is Allah, Die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen vervolgens is Hij boven de troon verheven. Hij bedekt de nacht met de dag, het volgt snel en (Hij schiep) de zon, de maan en de sterren zijn op zijn bevel bruikbaar gesteld. Zeker, aan Hem is de schepping en het bevel. Gezegend zij Allah de Heer der wereldwezens.
-
ٱدْعُوا۟ رَبَّكُمْ تَضَرُّعًا وَخُفْيَةً ۚ إِنَّهُۥ لَا يُحِبُّ ٱلْمُعْتَدِينَ٥٥
Odʿoo rabbakum tadarruʿan wakhufyatan innahu la yuhibbu almuʿtadeena
Roep jullie Heer nederig aan en in het geheim. Hij houdt niet van de agressors.
-
وَلَا تُفْسِدُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ بَعْدَ إِصْلَـٰحِهَا وَٱدْعُوهُ خَوْفًا وَطَمَعًا ۚ إِنَّ رَحْمَتَ ٱللَّهِ قَرِيبٌ مِّنَ ٱلْمُحْسِنِينَ٥٦
Wala tufsidoo fee alardi baʿda islahiha waodʿoohu khawfan watamaʿan inna rahmata Allahi qareebun mina almuhsineena
En sticht geen onheil op aarde, nadat het geordend is en roep Hem met angst en hoop aan. Zeker, Allah Zijn genade is dichtbij (en binnen bereik van) de weldoeners (die hun best doen in het zuiveren van hun intenties en daden).
-
وَهُوَ ٱلَّذِى يُرْسِلُ ٱلرِّيَـٰحَ بُشْرًۢا بَيْنَ يَدَىْ رَحْمَتِهِۦ ۖ حَتَّىٰٓ إِذَآ أَقَلَّتْ سَحَابًا ثِقَالًا سُقْنَـٰهُ لِبَلَدٍ مَّيِّتٍ فَأَنزَلْنَا بِهِ ٱلْمَآءَ فَأَخْرَجْنَا بِهِۦ مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِ ۚ كَذَٰلِكَ نُخْرِجُ ٱلْمَوْتَىٰ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ٥٧
Wahuwa allathee yursilu alrriyaha bushran bayna yaday rahmatihi hatta itha aqallat sahaban thiqalan suqnahu libaladin mayyitin faanzalna bihi almaa faakhrajna bihi min kulli alththamarati kathalika nukhriju almawta laʿallakum tathakkaroona
En Hij is het Die de winden als aankondiging van goede berichten stuurt, aan Zijn genade (regen) voorafgaand. Totdat zij een zwaar geladen wolk dragen, Wij sturen het naar een doods land, en Wij laten dan de regen naar beneden komen. Vervolgens produceren Wij allerlei soorten fruit daarmee. Zo ook wekken wij de doden op, zodat zij het zullen overdenken of daar acht op slaan.
-
وَٱلْبَلَدُ ٱلطَّيِّبُ يَخْرُجُ نَبَاتُهُۥ بِإِذْنِ رَبِّهِۦ ۖ وَٱلَّذِى خَبُثَ لَا يَخْرُجُ إِلَّا نَكِدًا ۚ كَذَٰلِكَ نُصَرِّفُ ٱلْـَٔايَـٰتِ لِقَوْمٍ يَشْكُرُونَ٥٨
Waalbaladu alttayyibu yakhruju nabatuhu biithni rabbihi waallathee khabutha la yakhruju illa nakidan kathalika nusarrifu alayati liqawmin yashkuroona
De plantengroei van een goed land komt voort door de toestemming van zijn Heer en datgene wat slecht is, brengt niets anders dan met moeite een geringe hoeveelheid. Zo leggen Wij vaak de tekenen uit voor de mensen die dankbaar zijn.
-
لَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِۦ فَقَالَ يَـٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَـٰهٍ غَيْرُهُۥٓ إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ٥٩
Laqad arsalna noohan ila qawmihi faqala ya qawmi oʿbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu innee akhafu ʿalaykum ʿathaba yawmin ʿatheemin
Voorwaar, Wij hebben Noeh naar zijn volk gestuurd en hij zei: “O mijn volk! Aanbid Allah! Jullie hebben geen andere god behalve Hem. Zeker, ik vrees voor jullie de bestraffing van de grote dag!”
-
قَالَ ٱلْمَلَأُ مِن قَوْمِهِۦٓ إِنَّا لَنَرَىٰكَ فِى ضَلَـٰلٍ مُّبِينٍ٦٠
Qala almalao min qawmihi inna lanaraka fee dalalin mubeenin
De leiders van zijn volk zeiden: “Waarlijk, wij zien jou in grote dwaling.”
-
قَالَ يَـٰقَوْمِ لَيْسَ بِى ضَلَـٰلَةٌ وَلَـٰكِنِّى رَسُولٌ مِّن رَّبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ٦١
Qala ya qawmi laysa bee dalalatun walakinnee rasoolun min rabbi alʿalameena
(Noeh) zei: “O mijn volk! Ik verkeer niet in dwaling, maar ik ben een boodschapper van de Heer van de wereldwezens!
-
أُبَلِّغُكُمْ رِسَـٰلَـٰتِ رَبِّى وَأَنصَحُ لَكُمْ وَأَعْلَمُ مِنَ ٱللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ٦٢
Oballighukum risalati rabbee waansahu lakum waaʿlamu mina Allahi ma la taʿlamoona
Ik verkondig aan jullie de boodschappen van mijn Heer en geef jullie het oprechte advies. En ik weet van Allah wat jullie niet weten."
-
أَوَعَجِبْتُمْ أَن جَآءَكُمْ ذِكْرٌ مِّن رَّبِّكُمْ عَلَىٰ رَجُلٍ مِّنكُمْ لِيُنذِرَكُمْ وَلِتَتَّقُوا۟ وَلَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ٦٣
Awaʿajibtum an jaakum thikrun min rabbikum ʿala rajulin minkum liyunthirakum walitattaqoo walaʿallakum turhamoona
Zijn jullie niet verbaasd dat er van jullie Heer een vermaning is gekomen door een man uit jullie midden, dat hij jullie moge waarschuwen, zodat jullie Allah moge vrezen en dat jullie genade moge ontvangen.
-
فَكَذَّبُوهُ فَأَنجَيْنَـٰهُ وَٱلَّذِينَ مَعَهُۥ فِى ٱلْفُلْكِ وَأَغْرَقْنَا ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَآ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًا عَمِينَ٦٤
Fakaththaboohu faanjaynahu waallatheena maʿahu fee alfulki waaghraqna allatheena kaththaboo biayatina innahum kanoo qawman ʿameena
Maar zij negeerden hem, zodat Wij hem en degenen die met hem waren, redden in het schip en Wij verdronken degenen die Onze tekenen negeerden. Zij waren zeker een blind volk.
-
۞ وَإِلَىٰ عَادٍ أَخَاهُمْ هُودًا ۗ قَالَ يَـٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَـٰهٍ غَيْرُهُۥٓ ۚ أَفَلَا تَتَّقُونَ٦٥
Waila ʿadin akhahum hoodan qala ya qawmi oʿbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona
En tot (het volk van) ‘Ad (stuurden Wij) hun broeder Hoed. Hij zei: “O mijn volk! Aanbid Allah! Jullie hebben geen andere god dan Hem. Zullen jullie (Allah) niet vrezen?”
-
قَالَ ٱلْمَلَأُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن قَوْمِهِۦٓ إِنَّا لَنَرَىٰكَ فِى سَفَاهَةٍ وَإِنَّا لَنَظُنُّكَ مِنَ ٱلْكَـٰذِبِينَ٦٦
Qala almalao allatheena kafaroo min qawmihi inna lanaraka fee safahatin wainna lanathunnuka mina alkathibeena
De leiders van degenen die onder zijn volk ongelovig waren, zeiden: “Waarlijk, wij zien jou in dwaasheid en waarlijk, wij denken dat jij één van de leugenaars bent.”
-
قَالَ يَـٰقَوْمِ لَيْسَ بِى سَفَاهَةٌ وَلَـٰكِنِّى رَسُولٌ مِّن رَّبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ٦٧
Qala ya qawmi laysa bee safahatun walakinnee rasoolun min rabbi alʿalameena
(Hoed) zei: “O mijn mensen! Er is geen dwaasheid in mij, maar ik ben een boodschapper van de Heer van de wereldwezens.
-
أُبَلِّغُكُمْ رِسَـٰلَـٰتِ رَبِّى وَأَنَا۠ لَكُمْ نَاصِحٌ أَمِينٌ٦٨
Oballighukum risalati rabbee waana lakum nasihun ameenun
Ik verkondig jullie de boodschappen van Mijn Heer en ik ben een betrouwbare adviseur voor jullie.”
-
أَوَعَجِبْتُمْ أَن جَآءَكُمْ ذِكْرٌ مِّن رَّبِّكُمْ عَلَىٰ رَجُلٍ مِّنكُمْ لِيُنذِرَكُمْ ۚ وَٱذْكُرُوٓا۟ إِذْ جَعَلَكُمْ خُلَفَآءَ مِنۢ بَعْدِ قَوْمِ نُوحٍ وَزَادَكُمْ فِى ٱلْخَلْقِ بَصْۜطَةً ۖ فَٱذْكُرُوٓا۟ ءَالَآءَ ٱللَّهِ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ٦٩
Awaʿajibtum an jaakum thikrun min rabbikum ʿala rajulin minkum liyunthirakum waothkuroo ith jaʿalakum khulafaa min baʿdi qawmi noohin wazadakum fee alkhalqi bastatan faothkuroo alaa Allahi laʿallakum tuflihoona
Zijn jullie niet verbaasd dat er van jullie Heer een vermaning is gekomen door een man uit jullie midden? Dat hij jullie moge waarschuwen. En gedenk dat Hij jullie tot de opvolgers van het volk van Noeh heeft gemaakt en jullie in kracht heeft laten toenemen. Gedenk dus de gunsten van Allah, zodat jullie moge slagen.
-
قَالُوٓا۟ أَجِئْتَنَا لِنَعْبُدَ ٱللَّهَ وَحْدَهُۥ وَنَذَرَ مَا كَانَ يَعْبُدُ ءَابَآؤُنَا ۖ فَأْتِنَا بِمَا تَعِدُنَآ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّـٰدِقِينَ٧٠
Qaloo ajitana linaʿbuda Allaha wahdahu wanathara ma kana yaʿbudu abaona fatina bima taʿiduna in kunta mina alssadiqeena
Zij zeiden: “Jij bent tot ons gekomen, zodat wij alleen Allah zouden aanbidden en zouden verzaken wat onze voorouders aanbaden. Breng ons datgene waarmee je ons bedreigd hebt, als je waarachtig bent.”
-
قَالَ قَدْ وَقَعَ عَلَيْكُم مِّن رَّبِّكُمْ رِجْسٌ وَغَضَبٌ ۖ أَتُجَـٰدِلُونَنِى فِىٓ أَسْمَآءٍ سَمَّيْتُمُوهَآ أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُم مَّا نَزَّلَ ٱللَّهُ بِهَا مِن سُلْطَـٰنٍ ۚ فَٱنتَظِرُوٓا۟ إِنِّى مَعَكُم مِّنَ ٱلْمُنتَظِرِينَ٧١
Qala qad waqaʿa ʿalaykum min rabbikum rijsun waghadabun atujadiloonanee fee asmain sammaytumooha antum waabaokum ma nazzala Allahu biha min sultanin faintathiroo innee maʿakum mina almuntathireena
(Hoed) zei: “Bestraffing en de toorn van jullie Heer is reeds over jullie gekomen. Redetwisten jullie maar met mij over de namen die jullie hebben genoemd – jullie en jullie vaderen, zonder gezag van Allah? Wacht dan, ik ben onder jullie ook wachtend.”
-
فَأَنجَيْنَـٰهُ وَٱلَّذِينَ مَعَهُۥ بِرَحْمَةٍ مِّنَّا وَقَطَعْنَا دَابِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا ۖ وَمَا كَانُوا۟ مُؤْمِنِينَ٧٢
Faanjaynahu waallatheena maʿahu birahmatin minna waqataʿna dabira allatheena kaththaboo biayatina wama kanoo mumineena
Dus hebben Wij hem gered en degenen die bij hem waren door een genade van Ons en Wij hebben de wortels afgesneden van degenen die Onze tekenen negeerden en zij waren geen gelovigen.
-
وَإِلَىٰ ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَـٰلِحًا ۗ قَالَ يَـٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَـٰهٍ غَيْرُهُۥ ۖ قَدْ جَآءَتْكُم بَيِّنَةٌ مِّن رَّبِّكُمْ ۖ هَـٰذِهِۦ نَاقَةُ ٱللَّهِ لَكُمْ ءَايَةً ۖ فَذَرُوهَا تَأْكُلْ فِىٓ أَرْضِ ٱللَّهِ ۖ وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوٓءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ٧٣
Waila thamooda akhahum salihan qala ya qawmi oʿbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu qad jaatkum bayyinatun min rabbikum hathihi naqatu Allahi lakum ayatan fatharooha takul fee ardi Allahi wala tamassooha bisooin fayakhuthakum ʿathabun aleemun
En tot het volk van Thamoed stuurden Wij hun broeder Saalih (met het woord van tawhied). Zei hij: “O mijn volk! Aanbid Allah (alléén), (want) er is voor jullie geen andere god dan Hem. Voorwaar, er is tot jullie een duidelijk teken van jullie Heer gekomen (dat niets of niemand recht heeft op jullie aanbidding dan Allah). Deze kamelin1 van Allah is een teken voor jullie (en zal als argumen voor of tegen jullie gebruikt worden). Laat haar dus grazen (en drinken zoveel ze maar wil) op Allah Zijn aarde (op de vastgelegde dagen). Kwets haar niet (en maak het haar niet moeilijk), anders zal jullie een pijnlijke bestraffing ten deel vallen.
Voetnoten
[1]Als bewijs van zijn profeetschap deed Allah een kamelin verschijnen van tussen de rotsen. -
وَٱذْكُرُوٓا۟ إِذْ جَعَلَكُمْ خُلَفَآءَ مِنۢ بَعْدِ عَادٍ وَبَوَّأَكُمْ فِى ٱلْأَرْضِ تَتَّخِذُونَ مِن سُهُولِهَا قُصُورًا وَتَنْحِتُونَ ٱلْجِبَالَ بُيُوتًا ۖ فَٱذْكُرُوٓا۟ ءَالَآءَ ٱللَّهِ وَلَا تَعْثَوْا۟ فِى ٱلْأَرْضِ مُفْسِدِينَ٧٤
Waothkuroo ith jaʿalakum khulafaa min baʿdi ʿadin wabawwaakum fee alardi tattakhithoona min suhooliha qusooran watanhitoona aljibala buyootan faothkuroo alaa Allahi wala taʿthaw fee alardi mufsideena
“En gedenk dat Hij jullie tot de opvolgers van de ‘Ad heeft gemaakt en je bewoners in het land heeft gegeven en jullie bouwden voor jezelf paleizen op de vlakten en groeven huizen uit de bergen. Overdenk dus de gunsten van Allah en sticht geen onheil op aarde.
-
قَالَ ٱلْمَلَأُ ٱلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوا۟ مِن قَوْمِهِۦ لِلَّذِينَ ٱسْتُضْعِفُوا۟ لِمَنْ ءَامَنَ مِنْهُمْ أَتَعْلَمُونَ أَنَّ صَـٰلِحًا مُّرْسَلٌ مِّن رَّبِّهِۦ ۚ قَالُوٓا۟ إِنَّا بِمَآ أُرْسِلَ بِهِۦ مُؤْمِنُونَ٧٥
Qala almalao allatheena istakbaroo min qawmihi lillatheena istudʿifoo liman amana minhum ataʿlamoona anna salihan mursalun min rabbihi qaloo inna bima orsila bihi muminoona
De leiders van degenen die onder zijn mensen arrogant waren, zeiden tegen degenen die als zwak werden beschouwd, tegen degenen die hem geloofden ”Weten jullie dat Saalih door zijn Heer gestuurd is.” Zij zeiden: “Wij geloven inderdaad in datgene wat hem gestuurd is.”
-
قَالَ ٱلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوٓا۟ إِنَّا بِٱلَّذِىٓ ءَامَنتُم بِهِۦ كَـٰفِرُونَ٧٦
Qala allatheena istakbaroo inna biallathee amantum bihi kafiroona
De arroganten zeiden: “Waarlijk, wij geloven niet in datgene waar jullie in geloven.”
-
فَعَقَرُوا۟ ٱلنَّاقَةَ وَعَتَوْا۟ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِمْ وَقَالُوا۟ يَـٰصَـٰلِحُ ٱئْتِنَا بِمَا تَعِدُنَآ إِن كُنتَ مِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ٧٧
Faʿaqaroo alnnaqata waʿataw ʿan amri rabbihim waqaloo ya salihu itina bima taʿiduna in kunta mina almursaleena
Dus slachtten zij de kamelin en schaamteloos ontkenden zij het bevel van hun Heer en zeiden: “O Saalih! Breng je bedreigingen als je waarlijk één van de boodschappers bent.”
-
فَأَخَذَتْهُمُ ٱلرَّجْفَةُ فَأَصْبَحُوا۟ فِى دَارِهِمْ جَـٰثِمِينَ٧٨
Faakhathathumu alrrajfatu faasbahoo fee darihim jathimeena
Dus greep de aardbeving hen en zij lagen dood geknield voor hun huizen.
-
فَتَوَلَّىٰ عَنْهُمْ وَقَالَ يَـٰقَوْمِ لَقَدْ أَبْلَغْتُكُمْ رِسَالَةَ رَبِّى وَنَصَحْتُ لَكُمْ وَلَـٰكِن لَّا تُحِبُّونَ ٱلنَّـٰصِحِينَ٧٩
Fatawalla ʿanhum waqala ya qawmi laqad ablaghtukum risalata rabbee wanasahtu lakum walakin la tuhibboona alnnasiheena
Toen keerde hij zich van hen af en zei: “O mijn volk! Ik heb zeker de boodschap van mijn Heer aan jullie verkondigd en heb jullie een goed advies gegeven maar jullie houden niet van goede adviseurs.”
-
وَلُوطًا إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ أَتَأْتُونَ ٱلْفَـٰحِشَةَ مَا سَبَقَكُم بِهَا مِنْ أَحَدٍ مِّنَ ٱلْعَـٰلَمِينَ٨٠
Walootan ith qala liqawmihi atatoona alfahishata ma sabaqakum biha min ahadin mina alʿalameena
En (gedenk) Loet, toen hij tegen zijn volk zei: “Plegen jullie de ergste zonden zoals geen vóór jullie van de wereldwezens gepleegd heeft?”
-
إِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ ٱلرِّجَالَ شَهْوَةً مِّن دُونِ ٱلنِّسَآءِ ۚ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ مُّسْرِفُونَ٨١
Innakum latatoona alrrijala shahwatan min dooni alnnisai bal antum qawmun musrifoona
Waarlijk, jullie oefenen jullie lusten op mannen uit in plaats van vrouwen. Nee, jullie zijn het volk dat de grenzen overschrijdt.”
-
وَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِۦٓ إِلَّآ أَن قَالُوٓا۟ أَخْرِجُوهُم مِّن قَرْيَتِكُمْ ۖ إِنَّهُمْ أُنَاسٌ يَتَطَهَّرُونَ٨٢
Wama kana jawaba qawmihi illa an qaloo akhrijoohum min qaryatikum innahum onasun yatatahharoona
En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: “Verjaag hen uit jullie stad, dit zijn zeker mannen die rein willen zijn!”
-
فَأَنجَيْنَـٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ إِلَّا ٱمْرَأَتَهُۥ كَانَتْ مِنَ ٱلْغَـٰبِرِينَ٨٣
Faanjaynahu waahlahu illa imraatahu kanat mina alghabireena
Toen redden Wij hem en zijn gezin behalve zijn vrouw; zij was één van degenen die achterbleef.
-
وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِم مَّطَرًا ۖ فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَـٰقِبَةُ ٱلْمُجْرِمِينَ٨٤
Waamtarna ʿalayhim mataran faonthur kayfa kana ʿaqibatu almujrimeena
En Wij lieten regen op hen neerdalen. Zie dan wat het einde van de misdadigers was.
-
وَإِلَىٰ مَدْيَنَ أَخَاهُمْ شُعَيْبًا ۗ قَالَ يَـٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَـٰهٍ غَيْرُهُۥ ۖ قَدْ جَآءَتْكُم بَيِّنَةٌ مِّن رَّبِّكُمْ ۖ فَأَوْفُوا۟ ٱلْكَيْلَ وَٱلْمِيزَانَ وَلَا تَبْخَسُوا۟ ٱلنَّاسَ أَشْيَآءَهُمْ وَلَا تُفْسِدُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ بَعْدَ إِصْلَـٰحِهَا ۚ ذَٰلِكُمْ خَيْرٌ لَّكُمْ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ٨٥
Waila madyana akhahum shuʿayban qala ya qawmi oʿbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu qad jaatkum bayyinatun min rabbikum faawfoo alkayla waalmeezana wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum wala tufsidoo fee alardi baʿda islahiha thalikum khayrun lakum in kuntum mumineena
En tot (het volk van) Madyan (stuurden Wij) hun broeder Shoe’aib. Hij zei: “O mijn volk! Aanbid Allah, jullie hebben geen andere god dan Hem. Voorwaar, er is tot jullie een duidelijk teken van jullie Heer gekomen; geef dus de volle maat en het volle gewicht en benadeel de mensen niet met hun zaken en sticht geen onheil op aarde nadat het geordend is, dat is beter voor jullie als jullie gelovigen zijn.”
-
وَلَا تَقْعُدُوا۟ بِكُلِّ صِرَٰطٍ تُوعِدُونَ وَتَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ مَنْ ءَامَنَ بِهِۦ وَتَبْغُونَهَا عِوَجًا ۚ وَٱذْكُرُوٓا۟ إِذْ كُنتُمْ قَلِيلًا فَكَثَّرَكُمْ ۖ وَٱنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَـٰقِبَةُ ٱلْمُفْسِدِينَ٨٦
Wala taqʿudoo bikulli siratin tooʿidoona watasuddoona ʿan sabeeli Allahi man amana bihi watabghoonaha ʿiwajan waothkuroo ith kuntum qaleelan fakaththarakum waonthuroo kayfa kana ʿaqibatu almufsideena
En zit niet op iedere weg, terwijl jullie degenen die in Hem geloven bedreigen en op de weg van Allah hinderen en het krom proberen te maken. En overdenk hoe Hij jullie, toen jullie met weinig waren, heeft vermenigvuldigd. En zie wat het einde van de verderfzaaiers is.
-
وَإِن كَانَ طَآئِفَةٌ مِّنكُمْ ءَامَنُوا۟ بِٱلَّذِىٓ أُرْسِلْتُ بِهِۦ وَطَآئِفَةٌ لَّمْ يُؤْمِنُوا۟ فَٱصْبِرُوا۟ حَتَّىٰ يَحْكُمَ ٱللَّهُ بَيْنَنَا ۚ وَهُوَ خَيْرُ ٱلْحَـٰكِمِينَ٨٧
Wain kana taifatun minkum amanoo biallathee orsiltu bihi wataifatun lam yuminoo faisbiroo hatta yahkuma Allahu baynana wahuwa khayru alhakimeena
En er is een gedeelte van jullie dat gelooft in wat mij gezonden is en een gedeelte gelooft niet, wees dus geduldig tot Allah tussen jullie oordeelt en Hij is de beste Beoordelaar.
-
۞ قَالَ ٱلْمَلَأُ ٱلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوا۟ مِن قَوْمِهِۦ لَنُخْرِجَنَّكَ يَـٰشُعَيْبُ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَعَكَ مِن قَرْيَتِنَآ أَوْ لَتَعُودُنَّ فِى مِلَّتِنَا ۚ قَالَ أَوَلَوْ كُنَّا كَـٰرِهِينَ٨٨
Qala almalao allatheena istakbaroo min qawmihi lanukhrijannaka ya shuʿaybu waallatheena amanoo maʿaka min qaryatina aw lataʿoodunna fee millatina qala awalaw kunna kariheena
De leiders van degenen die arrogant onder hun mensen waren zeiden: “Wij zullen je zeker uit onze stad, verdrijven O Shoe’aib en ook degenen die in jou geloofden, tenzij jullie tot onze godsdienst terugkeren.” Hij zei: “Ook als we daar afkeer van hebben!”
-
قَدِ ٱفْتَرَيْنَا عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا إِنْ عُدْنَا فِى مِلَّتِكُم بَعْدَ إِذْ نَجَّىٰنَا ٱللَّهُ مِنْهَا ۚ وَمَا يَكُونُ لَنَآ أَن نَّعُودَ فِيهَآ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُ رَبُّنَا ۚ وَسِعَ رَبُّنَا كُلَّ شَىْءٍ عِلْمًا ۚ عَلَى ٱللَّهِ تَوَكَّلْنَا ۚ رَبَّنَا ٱفْتَحْ بَيْنَنَا وَبَيْنَ قَوْمِنَا بِٱلْحَقِّ وَأَنتَ خَيْرُ ٱلْفَـٰتِحِينَ٨٩
Qadi iftarayna ʿala Allahi kathiban in ʿudna fee millatikum baʿda ith najjana Allahu minha wama yakoonu lana an naʿooda feeha illa an yashaa Allahu rabbuna wasiʿa rabbuna kulla shayin ʿilman ʿala Allahi tawakkalna rabbana iftah baynana wabayna qawmina bialhaqqi waanta khayru alfatiheena
“Wij zouden een leugen over Allah hebben verzonnen als wij tot jullie godsdienst zouden terugkeren, nadat Allah ons daarvan gered heeft. En het is niet aan ons om terug te keren tenzij Allah, onze Heer dat wil. Onze Heer omvat alle zaken in Zijn kennis. In Allah leggen wij ons vertrouwen. Onze Heer! Oordeel tussen ons en onze mensen in waarheid, want U bent de beste die een oordeel kan geven.”
-
وَقَالَ ٱلْمَلَأُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن قَوْمِهِۦ لَئِنِ ٱتَّبَعْتُمْ شُعَيْبًا إِنَّكُمْ إِذًا لَّخَـٰسِرُونَ٩٠
Waqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi laini ittabaʿtum shuʿayban innakum ithan lakhasiroona
De leiders van de ongelovigen onder de mensen zeiden: “Als jullie Shoe’aib volgen wees er dan zeker van dat jullie verliezers zijn!”
-
فَأَخَذَتْهُمُ ٱلرَّجْفَةُ فَأَصْبَحُوا۟ فِى دَارِهِمْ جَـٰثِمِينَ٩١
Faakhathathumu alrrajfatu faasbahoo fee darihim jathimeena
Dus greep een aardbeving hen en zij lagen dood neergeknield in hun huizen.
-
ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ شُعَيْبًا كَأَن لَّمْ يَغْنَوْا۟ فِيهَا ۚ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ شُعَيْبًا كَانُوا۟ هُمُ ٱلْخَـٰسِرِينَ٩٢
Allatheena kaththaboo shuʿayban kaan lam yaghnaw feeha allatheena kaththaboo shuʿayban kanoo humu alkhasireena
Degenen die Shoe’aib negeerden, werden alsof zij daar nooit gewoond hadden. Degenen die Shoe’aib negeerden werden de verliezers.
-
فَتَوَلَّىٰ عَنْهُمْ وَقَالَ يَـٰقَوْمِ لَقَدْ أَبْلَغْتُكُمْ رِسَـٰلَـٰتِ رَبِّى وَنَصَحْتُ لَكُمْ ۖ فَكَيْفَ ءَاسَىٰ عَلَىٰ قَوْمٍ كَـٰفِرِينَ٩٣
Fatawalla ʿanhum waqala ya qawmi laqad ablaghtukum risalati rabbee wanasahtu lakum fakayfa asa ʿala qawmin kafireena
Toen keerde hij zich van hen af en zei: “O mijn volk! Ik heb zeker de boodschap van mijn Heer aan jullie verkondigd en ik heb jullie goede raad gegeven. Hoe kan ik dan bedroefd zijn over de ongelovigen.”
-
وَمَآ أَرْسَلْنَا فِى قَرْيَةٍ مِّن نَّبِىٍّ إِلَّآ أَخَذْنَآ أَهْلَهَا بِٱلْبَأْسَآءِ وَٱلضَّرَّآءِ لَعَلَّهُمْ يَضَّرَّعُونَ٩٤
Wama arsalna fee qaryatin min nabiyyin illa akhathna ahlaha bialbasai waalddarrai laʿallahum yaddarraʿoona
En Wij zonden geen profeet naar een stad zonder dat Wij haar bewoners grepen met lijden door extreme armoede en verlies van gezondheid en rampen, zodat zij zichzelf vernederen.
-
ثُمَّ بَدَّلْنَا مَكَانَ ٱلسَّيِّئَةِ ٱلْحَسَنَةَ حَتَّىٰ عَفَوا۟ وَّقَالُوا۟ قَدْ مَسَّ ءَابَآءَنَا ٱلضَّرَّآءُ وَٱلسَّرَّآءُ فَأَخَذْنَـٰهُم بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ٩٥
Thumma baddalna makana alssayyiati alhasanata hatta ʿafaw waqaloo qad massa abaana alddarrao waalssarrao faakhathnahum baghtatan wahum la yashʿuroona
Dan veranderden Wij het kwade in het goede tot zij in aantal toenamen en in welvaart en zeiden: “Onze vaders werden door het kwaad geraakt en met het goede.” Dus grepen Wij hen opeens terwijl zij dat niet verwachtten.
-
وَلَوْ أَنَّ أَهْلَ ٱلْقُرَىٰٓ ءَامَنُوا۟ وَٱتَّقَوْا۟ لَفَتَحْنَا عَلَيْهِم بَرَكَـٰتٍ مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ وَلَـٰكِن كَذَّبُوا۟ فَأَخَذْنَـٰهُم بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ٩٦
Walaw anna ahla alqura amanoo waittaqaw lafatahna ʿalayhim barakatin mina alssamai waalardi walakin kaththaboo faakhathnahum bima kanoo yaksiboona
En als de mensen van de stad geloofd hadden en vroom waren, dan zouden Wij zeker voor hen de zegeningen van de hemel en de aarde openen, maar zij negeerden (de boodschappers). Dus namen Wij hen voor datgene wat zij verdienden.
-
أَفَأَمِنَ أَهْلُ ٱلْقُرَىٰٓ أَن يَأْتِيَهُم بَأْسُنَا بَيَـٰتًا وَهُمْ نَآئِمُونَ٩٧
Afaamina ahlu alqura an yatiyahum basuna bayatan wahum naimoona
Voelden de mensen van de steden zich dan veilig voor de komst van Onze bestraffing in de nacht terwijl zij sliepen?
-
أَوَأَمِنَ أَهْلُ ٱلْقُرَىٰٓ أَن يَأْتِيَهُم بَأْسُنَا ضُحًى وَهُمْ يَلْعَبُونَ٩٨
Awa amina ahlu alqura an yatiyahum basuna duhan wahum yalʿaboona
Of voelden de bewoners van de steden zich veilig tegen de komst van onze bestraffing in de voormiddag, terwijl zij speelden?
-
أَفَأَمِنُوا۟ مَكْرَ ٱللَّهِ ۚ فَلَا يَأْمَنُ مَكْرَ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلْقَوْمُ ٱلْخَـٰسِرُونَ٩٩
Afaaminoo makra Allahi fala yamanu makra Allahi illa alqawmu alkhasiroona
Voelden zij zich veilig tegen het plan van Allah. Niemand voelt zich veilig tegen het plan van Allah, behalve de mensen die verloren zijn.
-
أَوَلَمْ يَهْدِ لِلَّذِينَ يَرِثُونَ ٱلْأَرْضَ مِنۢ بَعْدِ أَهْلِهَآ أَن لَّوْ نَشَآءُ أَصَبْنَـٰهُم بِذُنُوبِهِمْ ۚ وَنَطْبَعُ عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ فَهُمْ لَا يَسْمَعُونَ١٠٠
Awalam yahdi lillatheena yarithoona alarda min baʿdi ahliha an law nashao asabnahum bithunoobihim wanatbaʿu ʿala quloobihim fahum la yasmaʿoona
Is het niet duidelijk voor degenen die de aarde beërven in opvolging van zijn bezitters als Wij het gewild hadden, zouden Wij hen voor hun zonden bestraft hebben. En Wij verzegelden hun harten, zij zijn het die niet hoorden.
-
تِلْكَ ٱلْقُرَىٰ نَقُصُّ عَلَيْكَ مِنْ أَنۢبَآئِهَا ۚ وَلَقَدْ جَآءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَـٰتِ فَمَا كَانُوا۟ لِيُؤْمِنُوا۟ بِمَا كَذَّبُوا۟ مِن قَبْلُ ۚ كَذَٰلِكَ يَطْبَعُ ٱللَّهُ عَلَىٰ قُلُوبِ ٱلْكَـٰفِرِينَ١٠١
Tilka alqura naqussu ʿalayka min anbaiha walaqad jaathum rusuluhum bialbayyinati fama kanoo liyuminoo bima kaththaboo min qablu kathalika yatbaʿu Allahu ʿala quloobi alkafireena
Zij waren in de steden waarvan Wij jou het verhaal vertellen. En er zijn zeker tot hen hun boodschappers met duidelijke bewijzen gekomen, maar zij waren niet degenen die geloofden in hetgeen zij eerder verworpen hadden. Dus heeft Allah de harten van de ongelovigen verzegeld.
-
وَمَا وَجَدْنَا لِأَكْثَرِهِم مِّنْ عَهْدٍ ۖ وَإِن وَجَدْنَآ أَكْثَرَهُمْ لَفَـٰسِقِينَ١٠٢
Wama wajadna liaktharihim min ʿahdin wain wajadna aktharahum lafasiqeena
En bij de meesten van hen waren ze niet trouw aan het verbond, en de meesten van hen waren verdorven.
-
ثُمَّ بَعَثْنَا مِنۢ بَعْدِهِم مُّوسَىٰ بِـَٔايَـٰتِنَآ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَإِي۟هِۦ فَظَلَمُوا۟ بِهَا ۖ فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَـٰقِبَةُ ٱلْمُفْسِدِينَ١٠٣
Thumma baʿathna min baʿdihim moosa biayatina ila firʿawna wamalaihi fathalamoo biha faonuthur kayfa kana ʿaqibatu almufsideena
Na hen stuurden Wij Moesa met Onze tekenen naar de Farao en zijn leiders, maar zij verwierpen hen valselijk. Zie dus hoe het einde van de verderfzaaiers is.
-
وَقَالَ مُوسَىٰ يَـٰفِرْعَوْنُ إِنِّى رَسُولٌ مِّن رَّبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ١٠٤
Waqala moosa ya firʿawnu innee rasoolun min rabbi alʿalameena
En Moesa zei: “O Farao! Ik ben een boodschapper van de Heer van de wereldwezens.
-
حَقِيقٌ عَلَىٰٓ أَن لَّآ أَقُولَ عَلَى ٱللَّهِ إِلَّا ٱلْحَقَّ ۚ قَدْ جِئْتُكُم بِبَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّكُمْ فَأَرْسِلْ مَعِىَ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ١٠٥
Haqeequn ʿala an la aqoola ʿala Allahi illa alhaqqa qad jitukum bibayyinatin min rabbikum faarsil maʿiya banee israeela
Juist is het voor mij niets anders over Allah te zeggen dan de waarheid. Voorwaar, ik ben tot u gekomen met een duidelijk bewijs van mijn Heer. Laat de kinderen van Israël dus met mij vertrekken.”
-
قَالَ إِن كُنتَ جِئْتَ بِـَٔايَةٍ فَأْتِ بِهَآ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّـٰدِقِينَ١٠٦
Qala in kunta jita biayatin fati biha in kunta mina alssadiqeena
(De Farao) zei: “Als je met een teken komt, laat het zien – als je één van degene bent die de waarheid vertelt.”
-
فَأَلْقَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِىَ ثُعْبَانٌ مُّبِينٌ١٠٧
Faalqa ʿasahu faitha hiya thuʿbanun mubeenun
Toen gooide (Moesa) zijn staf en zie! Het was duidelijk een slang.
-
وَنَزَعَ يَدَهُۥ فَإِذَا هِىَ بَيْضَآءُ لِلنَّـٰظِرِينَ١٠٨
Wanazaʿa yadahu faitha hiya baydao lilnnathireena
En hij stak zijn hand uit en zie! Het was wit voor de toeschouwers.
-
قَالَ ٱلْمَلَأُ مِن قَوْمِ فِرْعَوْنَ إِنَّ هَـٰذَا لَسَـٰحِرٌ عَلِيمٌ١٠٩
Qala almalao min qawmi firʿawna inna hatha lasahirun ʿaleemun
De leiders van de mensen van de Farao zeiden: “Dit is zeker een goed onderrichte tovenaar;
-
يُرِيدُ أَن يُخْرِجَكُم مِّنْ أَرْضِكُمْ ۖ فَمَاذَا تَأْمُرُونَ١١٠
Yureedu an yukhrijakum min ardikum famatha tamuroona
Hij wil dat jullie allen uw land verlaten, wat is jullie advies?”
-
قَالُوٓا۟ أَرْجِهْ وَأَخَاهُ وَأَرْسِلْ فِى ٱلْمَدَآئِنِ حَـٰشِرِينَ١١١
Qaloo arjih waakhahu waarsil fee almadaini hashireena
Zij zeiden: “Houd hem en zijn broeder tegen en stuur omroepers naar de steden en verzamel.
-
يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَـٰحِرٍ عَلِيمٍ١١٢
Yatooka bikulli sahirin ʿaleemin
Dat zij de goed onderrichte tovenaars naar u brengen.”
-
وَجَآءَ ٱلسَّحَرَةُ فِرْعَوْنَ قَالُوٓا۟ إِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِن كُنَّا نَحْنُ ٱلْغَـٰلِبِينَ١١٣
Wajaa alssaharatu firʿawna qaloo inna lana laajran in kunna nahnu alghalibeena
En dus kwamen de tovenaars naar de Farao. Zij zeiden: “Voorwaar, er zal een goede beloning voor ons zijn als wij de overwinnaars zijn.”
-
قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ لَمِنَ ٱلْمُقَرَّبِينَ١١٤
Qala naʿam wainnakum lamina almuqarrabeena
Hij zei: “Ja, en nog meer, jullie zullen (mijn) naasten zijn.”
-
قَالُوا۟ يَـٰمُوسَىٰٓ إِمَّآ أَن تُلْقِىَ وَإِمَّآ أَن نَّكُونَ نَحْنُ ٱلْمُلْقِينَ١١٥
Qaloo ya moosa imma an tulqiya waimma an nakoona nahnu almulqeena
Zij zeiden: “O Moesa! Of jij gooit eerst of wij gooien (eerst)?”
-
قَالَ أَلْقُوا۟ ۖ فَلَمَّآ أَلْقَوْا۟ سَحَرُوٓا۟ أَعْيُنَ ٱلنَّاسِ وَٱسْتَرْهَبُوهُمْ وَجَآءُو بِسِحْرٍ عَظِيمٍ١١٦
Qala alqoo falamma alqaw saharoo aʿyuna alnnasi waistarhaboohum wajaoo bisihrin ʿatheemin
Hij (Moesa) zei: “Gooien jullie (eerst).” Dus gooiden zij, zij betoverden de ogen van de mensen en sloegen hen met angst en zij lieten een grote toverij zien.
-
۞ وَأَوْحَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰٓ أَنْ أَلْقِ عَصَاكَ ۖ فَإِذَا هِىَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ١١٧
Waawhayna ila moosa an alqi ʿasaka faitha hiya talqafu ma yafikoona
Daarop inspireerden Wij Moesa (met het bevel): “Werp jouw staf!” (En zie daar, de staf) slokte meteen alle bedrog en valsheid op, die tentoon werden gespreid (door Farao’s tovenaars).
-
فَوَقَعَ ٱلْحَقُّ وَبَطَلَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ١١٨
Fawaqaʿa alhaqqu wabatala ma kanoo yaʿmaloona
Dus de waarheid werd bevestigd en alles wat zij deden had geen effect.
-
فَغُلِبُوا۟ هُنَالِكَ وَٱنقَلَبُوا۟ صَـٰغِرِينَ١١٩
Faghuliboo hunalika wainqalaboo saghireena
Dus werden zij daar verslagen en keerden in schande terug.
-
وَأُلْقِىَ ٱلسَّحَرَةُ سَـٰجِدِينَ١٢٠
Waolqiya alssaharatu sajideena
En de tovenaars knielden neer.
-
قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا بِرَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ١٢١
Qaloo amanna birabbi alʿalameena
Zij zeiden: “Wij geloven in de Heer van de wereldwezens.
-
رَبِّ مُوسَىٰ وَهَـٰرُونَ١٢٢
Rabbi moosa waharoona
De Heer van Moesa en Haaroen.”
-
قَالَ فِرْعَوْنُ ءَامَنتُم بِهِۦ قَبْلَ أَنْ ءَاذَنَ لَكُمْ ۖ إِنَّ هَـٰذَا لَمَكْرٌ مَّكَرْتُمُوهُ فِى ٱلْمَدِينَةِ لِتُخْرِجُوا۟ مِنْهَآ أَهْلَهَا ۖ فَسَوْفَ تَعْلَمُونَ١٢٣
Qala firʿawnu amantum bihi qabla an athana lakum inna hatha lamakrun makartumoohu fee almadeenati litukhrijoo minha ahlaha fasawfa taʿlamoona
Farao zei: “Geloven jullie in hem (Moesa) voordat ik jullie daartoe toestemming geef? Waarlijk, dit is een samenzwering die jullie gesmeed hebben in de stad om zijn bewoners uit te drijven, maar jullie zullen het te weten komen.
-
لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُم مِّنْ خِلَـٰفٍ ثُمَّ لَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ١٢٤
Laoqatiʿanna aydiyakum waarjulakum min khilafin thumma laosallibannakum ajmaʿeena
Zeker, ik hak jullie handen en voeten in tegengestelde kant af, dan zal ik jullie allen kruisigen.”
-
قَالُوٓا۟ إِنَّآ إِلَىٰ رَبِّنَا مُنقَلِبُونَ١٢٥
Qaloo inna ila rabbina munqaliboona
Zij zeiden: “Waarlijk, wij zullen tot onze Heer terugkeren.
-
وَمَا تَنقِمُ مِنَّآ إِلَّآ أَنْ ءَامَنَّا بِـَٔايَـٰتِ رَبِّنَا لَمَّا جَآءَتْنَا ۚ رَبَّنَآ أَفْرِغْ عَلَيْنَا صَبْرًا وَتَوَفَّنَا مُسْلِمِينَ١٢٦
Wama tanqimu minna illa an amanna biayati rabbina lamma jaatna rabbana afrigh ʿalayna sabran watawaffana muslimeena
En u neemt alleen maar wraak op ons, omdat wij in de tekenen van onze Heer geloven toen het ons bereikten! Onze Heer! Giet geduld over ons uit en zorg ervoor dat wij als moslims zullen sterven.”
-
وَقَالَ ٱلْمَلَأُ مِن قَوْمِ فِرْعَوْنَ أَتَذَرُ مُوسَىٰ وَقَوْمَهُۥ لِيُفْسِدُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ وَيَذَرَكَ وَءَالِهَتَكَ ۚ قَالَ سَنُقَتِّلُ أَبْنَآءَهُمْ وَنَسْتَحْىِۦ نِسَآءَهُمْ وَإِنَّا فَوْقَهُمْ قَـٰهِرُونَ١٢٧
Waqala almalao min qawmi firʿawna atatharu moosa waqawmahu liyufsidoo fee alardi wayatharaka waalihataka qala sanuqattilu abnaahum wanastahyee nisaahum wainna fawqahum qahiroona
De leiders van de mensen van de Farao zeiden: “Wilt u Moesa en zijn mensen onheil over het land laten verspreiden om u en uw goden af te zweren?” Hij zei: “Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen laten leven en wij hebben beslist een onweerstaanbare macht over hen.”
-
قَالَ مُوسَىٰ لِقَوْمِهِ ٱسْتَعِينُوا۟ بِٱللَّهِ وَٱصْبِرُوٓا۟ ۖ إِنَّ ٱلْأَرْضَ لِلَّهِ يُورِثُهَا مَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ ۖ وَٱلْعَـٰقِبَةُ لِلْمُتَّقِينَ١٢٨
Qala moosa liqawmihi istaʿeenoo biAllahi waisbiroo inna alarda lillahi yoorithuha man yashao min ʿibadihi waalʿaqibatu lilmuttaqeena
Moesa zei tegen zijn mensen: “Zoek de hulp bij Allah en wees geduldig. Waarlijk, de aarde behoort aan Allah, Hij geeft het als erfenis aan wie Hij wil van Zijn slaven. En een gezegend einde is er voor de godvrezenden...”
-
قَالُوٓا۟ أُوذِينَا مِن قَبْلِ أَن تَأْتِيَنَا وَمِنۢ بَعْدِ مَا جِئْتَنَا ۚ قَالَ عَسَىٰ رَبُّكُمْ أَن يُهْلِكَ عَدُوَّكُمْ وَيَسْتَخْلِفَكُمْ فِى ٱلْأَرْضِ فَيَنظُرَ كَيْفَ تَعْمَلُونَ١٢٩
Qaloo ootheena min qabli an tatiyana wamin baʿdi ma jitana qala ʿasa rabbukum an yuhlika ʿaduwwakum wayastakhlifakum fee alardi fayanthura kayfa taʿmaloona
Zij zeiden: “Wij hebben veel geleden tot jij kwam en ook sinds je gekomen bent.” Hij zei: “Het zou kunnen zijn dat jullie Heer jullie vijand zal vernietigen en jullie tot opvolgers op aarde maakt, zodat Hij kan zien hoe jullie handelen?”
-
وَلَقَدْ أَخَذْنَآ ءَالَ فِرْعَوْنَ بِٱلسِّنِينَ وَنَقْصٍ مِّنَ ٱلثَّمَرَٰتِ لَعَلَّهُمْ يَذَّكَّرُونَ١٣٠
Walaqad akhathna ala firʿawna bialssineena wanaqsin mina alththamarati laʿallahum yaththakkaroona
En voorwaar, Wij bestraften de mensen van de Farao met jaren van droogte en tekorten aan vruchten, opdat zij het zullen weten.
-
فَإِذَا جَآءَتْهُمُ ٱلْحَسَنَةُ قَالُوا۟ لَنَا هَـٰذِهِۦ ۖ وَإِن تُصِبْهُمْ سَيِّئَةٌ يَطَّيَّرُوا۟ بِمُوسَىٰ وَمَن مَّعَهُۥٓ ۗ أَلَآ إِنَّمَا طَـٰٓئِرُهُمْ عِندَ ٱللَّهِ وَلَـٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ١٣١
Faitha jaathumu alhasanatu qaloo lana hathihi wain tusibhum sayyiatun yattayyaroo bimoosa waman maʿahu ala innama tairuhum ʿinda Allahi walakinna aktharahum la yaʿlamoona
Maar als er iets goeds tot hen kwam, zeiden zij: “Ons behoort dit toe.” En het kwaad dat hen trof schreven zij toe aan kwade voortekenen die zij met Moesa in verband brachten en degenen die bij hem waren. Weet! Waarlijk, de tekenen komen van Allah maar de meesten van hen wisten het niet.
-
وَقَالُوا۟ مَهْمَا تَأْتِنَا بِهِۦ مِنْ ءَايَةٍ لِّتَسْحَرَنَا بِهَا فَمَا نَحْنُ لَكَ بِمُؤْمِنِينَ١٣٢
Waqaloo mahma tatina bihi min ayatin litasharana biha fama nahnu laka bimumineena
Zij zeiden: “Welke tekenen je ook naar ons toe brengt, en hoe je ons met je tovenaarskunsten bewerkt, wij zullen je nooit geloven.”
-
فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلطُّوفَانَ وَٱلْجَرَادَ وَٱلْقُمَّلَ وَٱلضَّفَادِعَ وَٱلدَّمَ ءَايَـٰتٍ مُّفَصَّلَـٰتٍ فَٱسْتَكْبَرُوا۟ وَكَانُوا۟ قَوْمًا مُّجْرِمِينَ١٣٣
Faarsalna ʿalayhimu alttoofana waaljarada waalqummala waalddafadiʿa waalddama ayatin mufassalatin faistakbaroo wakanoo qawman mujrimeena
Dus stuurden Wij tot hen: de vloed, de sprinkhanen, de luizen, de kikkers en het bloed (als een opvolging van) duidelijke tekenen, toch bleven zij arrogant en behoorden zij tot de mensen die misdadigers zijn.
-
وَلَمَّا وَقَعَ عَلَيْهِمُ ٱلرِّجْزُ قَالُوا۟ يَـٰمُوسَى ٱدْعُ لَنَا رَبَّكَ بِمَا عَهِدَ عِندَكَ ۖ لَئِن كَشَفْتَ عَنَّا ٱلرِّجْزَ لَنُؤْمِنَنَّ لَكَ وَلَنُرْسِلَنَّ مَعَكَ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ١٣٤
Walamma waqaʿa ʿalayhimu alrrijzu qaloo ya moosa odʿu lana rabbaka bima ʿahida ʿindaka lain kashafta ʿanna alrrijza lanuminanna laka walanursilanna maʿaka banee israeela
En als de bestraffing hen trof zeiden zij: “O Moesa! Roep je Heer aan vanwege de beloften die Hij jou heeft gegeven. Als je de bestraffing van ons weghaalt, zullen wij zeker in jou geloven en we zullen de kinderen van Israël met jou mee laten gaan.”
-
فَلَمَّا كَشَفْنَا عَنْهُمُ ٱلرِّجْزَ إِلَىٰٓ أَجَلٍ هُم بَـٰلِغُوهُ إِذَا هُمْ يَنكُثُونَ١٣٥
Falamma kashafna ʿanhumu alrrijza ila ajalin hum balighoohu itha hum yankuthoona
Maar toen Wij de bestraffing verwijderden van hen op een afgesproken tijd, die het had bereikt, zie! Zij braken hun woord!
-
فَٱنتَقَمْنَا مِنْهُمْ فَأَغْرَقْنَـٰهُمْ فِى ٱلْيَمِّ بِأَنَّهُمْ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا وَكَانُوا۟ عَنْهَا غَـٰفِلِينَ١٣٦
Faintaqamna minhum faaghraqnahum fee alyammi biannahum kaththaboo biayatina wakanoo ʿanha ghafileena
Dus namen Wij vergelding op hen. Wij verdronken hen in de zee, omdat zij Onze tekenen verwierpen en achteloos waren met de waarschuwingen van hen.
-
وَأَوْرَثْنَا ٱلْقَوْمَ ٱلَّذِينَ كَانُوا۟ يُسْتَضْعَفُونَ مَشَـٰرِقَ ٱلْأَرْضِ وَمَغَـٰرِبَهَا ٱلَّتِى بَـٰرَكْنَا فِيهَا ۖ وَتَمَّتْ كَلِمَتُ رَبِّكَ ٱلْحُسْنَىٰ عَلَىٰ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ بِمَا صَبَرُوا۟ ۖ وَدَمَّرْنَا مَا كَانَ يَصْنَعُ فِرْعَوْنُ وَقَوْمُهُۥ وَمَا كَانُوا۟ يَعْرِشُونَ١٣٧
Waawrathna alqawma allatheena kanoo yustadʿafoona mashariqa alardi wamagharibaha allatee barakna feeha watammat kalimatu rabbika alhusna ʿala banee israeela bima sabaroo wadammarna ma kana yasnaʿu firʿawnu waqawmuhu wama kanoo yaʿrishoona
En Wij zorgden ervoor dat de mensen, die zwak werden beschouwd, de oostelijke en westelijke gedeeltes van het land kregen, waarvoor Wij het gezegend hadden. En het oprechte woord van jullie Heer werd vervuld voor de kinderen van Israël door alles wat zij hadden moeten verdragen. En Wij vernietigden volledig alle grote werken en gebouwen die de Farao en zijn mensen opgericht hadden.
-
وَجَـٰوَزْنَا بِبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ٱلْبَحْرَ فَأَتَوْا۟ عَلَىٰ قَوْمٍ يَعْكُفُونَ عَلَىٰٓ أَصْنَامٍ لَّهُمْ ۚ قَالُوا۟ يَـٰمُوسَى ٱجْعَل لَّنَآ إِلَـٰهًا كَمَا لَهُمْ ءَالِهَةٌ ۚ قَالَ إِنَّكُمْ قَوْمٌ تَجْهَلُونَ١٣٨
Wajawazna bibanee israeela albahra faataw ʿala qawmin yaʿkufoona ʿala asnamin lahum qaloo ya moosa ijʿal lana ilahan kama lahum alihatun qala innakum qawmun tajhaloona
En Wij brachten de kinderen van Israël door de zee en zij kwamen bij mensen die een paar van hun afgodsbeelden vroom (aanbaden). Zij zeiden: “O Moesa! Maak voor ons een god zoals zij goden hebben.” Hij zei: “Waarlijk jullie zijn een volk dat niet weet."
-
إِنَّ هَـٰٓؤُلَآءِ مُتَبَّرٌ مَّا هُمْ فِيهِ وَبَـٰطِلٌ مَّا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ١٣٩
Inna haolai mutabbarun ma hum feehi wabatilun ma kanoo yaʿmaloona
“Waarlijk, waarmee dit volk zich bezighoudt, zullen zij vernietigd worden. En wat zij doen is een waan.”
-
قَالَ أَغَيْرَ ٱللَّهِ أَبْغِيكُمْ إِلَـٰهًا وَهُوَ فَضَّلَكُمْ عَلَى ٱلْعَـٰلَمِينَ١٤٠
Qala aghayra Allahi abgheekum ilahan wahuwa faddalakum ʿala alʿalameena
Hij zei: “Zal ik voor jullie een andere god zoeken dan Allah, terwijl Hij jullie heeft verkozen boven de wereldwezens.”
-
وَإِذْ أَنجَيْنَـٰكُم مِّنْ ءَالِ فِرْعَوْنَ يَسُومُونَكُمْ سُوٓءَ ٱلْعَذَابِ ۖ يُقَتِّلُونَ أَبْنَآءَكُمْ وَيَسْتَحْيُونَ نِسَآءَكُمْ ۚ وَفِى ذَٰلِكُم بَلَآءٌ مِّن رَّبِّكُمْ عَظِيمٌ١٤١
Waith anjaynakum min ali firʿawna yasoomoonakum sooa alʿathabi yuqattiloona abnaakum wayastahyoona nisaakum wafee thalikum balaon min rabbikum ʿatheemun
En (gedenk) toen Wij jullie van de mensen van de Farao redden, die jullie de ergste bestraffing gaven, jullie zonen doodden en jullie vrouwen in leven lieten. En daarin is een grote beproeving van jullie Heer.
-
۞ وَوَٰعَدْنَا مُوسَىٰ ثَلَـٰثِينَ لَيْلَةً وَأَتْمَمْنَـٰهَا بِعَشْرٍ فَتَمَّ مِيقَـٰتُ رَبِّهِۦٓ أَرْبَعِينَ لَيْلَةً ۚ وَقَالَ مُوسَىٰ لِأَخِيهِ هَـٰرُونَ ٱخْلُفْنِى فِى قَوْمِى وَأَصْلِحْ وَلَا تَتَّبِعْ سَبِيلَ ٱلْمُفْسِدِينَ١٤٢
Wawaʿadna moosa thalatheena laylatan waatmamnaha biʿashrin fatamma meeqatu rabbihi arbaʿeena laylatan waqala moosa liakheehi haroona okhlufnee fee qawmee waaslih wala tattabiʿ sabeela almufsideena
En Wij wezen voor Moesa dertig nachten aan en voegden nog tien toe, en hij maakte de periode die door zijn Heer was aangewezen vol met veertig nachten. En Moesa zei tegen zijn broeder Haaroen: “Wees mijn vervanging voor mijn mensen, handel op de juiste manier en volg niet de weg van de verderfzaaiers."
-
وَلَمَّا جَآءَ مُوسَىٰ لِمِيقَـٰتِنَا وَكَلَّمَهُۥ رَبُّهُۥ قَالَ رَبِّ أَرِنِىٓ أَنظُرْ إِلَيْكَ ۚ قَالَ لَن تَرَىٰنِى وَلَـٰكِنِ ٱنظُرْ إِلَى ٱلْجَبَلِ فَإِنِ ٱسْتَقَرَّ مَكَانَهُۥ فَسَوْفَ تَرَىٰنِى ۚ فَلَمَّا تَجَلَّىٰ رَبُّهُۥ لِلْجَبَلِ جَعَلَهُۥ دَكًّا وَخَرَّ مُوسَىٰ صَعِقًا ۚ فَلَمَّآ أَفَاقَ قَالَ سُبْحَـٰنَكَ تُبْتُ إِلَيْكَ وَأَنَا۠ أَوَّلُ ٱلْمُؤْمِنِينَ١٤٣
Walamma jaa moosa limeeqatina wakallamahu rabbuhu qala rabbi arinee anthur ilayka qala lan taranee walakini onthur ila aljabali faini istaqarra makanahu fasawfa taranee falamma tajalla rabbuhu liljabali jaʿalahu dakkan wakharra moosa saʿiqan falamma afaqa qala subhanaka tubtu ilayka waana awwalu almumineena
En toen Moesa op de aangewezen tijd en plaats bij Ons kwam en zijn Heer tot hem sprak, zei hij: “O mijn Heer! (Ik verlang naar uw ontmoeting zo erg dat ik niet kan wachten om u te zien in uw perfectie pas na de dood) ik wil u aanschouwen, zodat ik U kan zien.” Allah zei: “Jij kan Mij niet zien (in deze wereld), maar kijk naar de berg als het daar stil op zijn plaats blijft staan, dan zul je Mij zien.” Dus toen zijn Heer zich aan de berg openbaarde, liet Hij het instorten en tot stof vergaan, en Moesa viel bewusteloos neer. Toen hij weer bijkwam, zei hij: “Verheerlijkt bent U, ik wend mij tot U in berouw en ik ben de eerste onder de gelovigen.”
-
قَالَ يَـٰمُوسَىٰٓ إِنِّى ٱصْطَفَيْتُكَ عَلَى ٱلنَّاسِ بِرِسَـٰلَـٰتِى وَبِكَلَـٰمِى فَخُذْ مَآ ءَاتَيْتُكَ وَكُن مِّنَ ٱلشَّـٰكِرِينَ١٤٤
Qala ya moosa innee istafaytuka ʿala alnnasi birisalatee wabikalamee fakhuth ma ataytuka wakun mina alshshakireena
(Allah) zei: “O Moesa Ik heb jou boven de mensen door Mijn openbaring verkozen en door Mijn spreken. Houd je dus vast aan datgene (nl. voldoening) Ik jou heb gegeven, en behoor tot de dankbaren (voor deze begunstiging door enkel te doen wat Mij tevreden maakt en blijf weg van dingen die Mijn toorn opwekken).”
-
وَكَتَبْنَا لَهُۥ فِى ٱلْأَلْوَاحِ مِن كُلِّ شَىْءٍ مَّوْعِظَةً وَتَفْصِيلًا لِّكُلِّ شَىْءٍ فَخُذْهَا بِقُوَّةٍ وَأْمُرْ قَوْمَكَ يَأْخُذُوا۟ بِأَحْسَنِهَا ۚ سَأُو۟رِيكُمْ دَارَ ٱلْفَـٰسِقِينَ١٤٥
Wakatabna lahu fee alalwahi min kulli shayin mawʿithatan watafseelan likulli shayin fakhuthha biquwwatin wamur qawmaka yakhuthoo biahsaniha saoreekum dara alfasiqeena
En Wij schreven voor hem op de borden de lessen die uit alle dingen getrokken konden worden en de uitleg van alle dingen (en zeiden): “Houd dit ferm vast en moedig je mensen aan om het betere daarvan te nemen. Ik zal jou de leefplek van de verdorvenen laten zien.”
-
سَأَصْرِفُ عَنْ ءَايَـٰتِىَ ٱلَّذِينَ يَتَكَبَّرُونَ فِى ٱلْأَرْضِ بِغَيْرِ ٱلْحَقِّ وَإِن يَرَوْا۟ كُلَّ ءَايَةٍ لَّا يُؤْمِنُوا۟ بِهَا وَإِن يَرَوْا۟ سَبِيلَ ٱلرُّشْدِ لَا يَتَّخِذُوهُ سَبِيلًا وَإِن يَرَوْا۟ سَبِيلَ ٱلْغَىِّ يَتَّخِذُوهُ سَبِيلًا ۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا وَكَانُوا۟ عَنْهَا غَـٰفِلِينَ١٤٦
Saasrifu ʿan ayatiya allatheena yatakabbaroona fee alardi bighayri alhaqqi wain yaraw kulla ayatin la yuminoo biha wain yaraw sabeela alrrushdi la yattakhithoohu sabeelan wain yaraw sabeela alghayyi yattakhithoohu sabeelan thalika biannahum kaththaboo biayatina wakanoo ʿanha ghafileena
Ik zal degenen die arrogant op aarde zijn, van Mijn Koran laten afkeren, op een verkeerde manier, zelfs als zij alle tekenen zien, zullen zij daarin niet geloven. En als zij de juiste manier zien, zullen zij dat niet als manier aannemen, maar zij zullen de verkeerde manier zien en die aannemen omdat zij Onze tekenen verwerpen en achteloos zijn (om) daaruit (een les te leren).
-
وَٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا وَلِقَآءِ ٱلْـَٔاخِرَةِ حَبِطَتْ أَعْمَـٰلُهُمْ ۚ هَلْ يُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ١٤٧
Waallatheena kaththaboo biayatina waliqai alakhirati habitat aʿmaluhum hal yujzawna illa ma kanoo yaʿmaloona
Degenen die Onze tekenen en de ontmoeting in het hiernamaals ontkennen, zijn vruchteloos in hun daden. Verwachten zij beloond te worden met iets behalve wat zij doen?
-
وَٱتَّخَذَ قَوْمُ مُوسَىٰ مِنۢ بَعْدِهِۦ مِنْ حُلِيِّهِمْ عِجْلًا جَسَدًا لَّهُۥ خُوَارٌ ۚ أَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّهُۥ لَا يُكَلِّمُهُمْ وَلَا يَهْدِيهِمْ سَبِيلًا ۘ ٱتَّخَذُوهُ وَكَانُوا۟ ظَـٰلِمِينَ١٤٨
Waittakhatha qawmu moosa min baʿdihi min huliyyihim ʿijlan jasadan lahu khuwarun alam yaraw annahu la yukallimuhum wala yahdeehim sabeelan ittakhathoohu wakanoo thalimeena
En het volk van Moesa maakte tijdens zijn afwezigheid van hun sieraden de afbeelding van een kalf. Het maakte een geluid. Zagen zij dan niet dat het niet tot hen kon spreken noch dat het hen op de weg leidde? Zij namen het aan voor aanbidding en zij waren onrechtvaardig.
-
وَلَمَّا سُقِطَ فِىٓ أَيْدِيهِمْ وَرَأَوْا۟ أَنَّهُمْ قَدْ ضَلُّوا۟ قَالُوا۟ لَئِن لَّمْ يَرْحَمْنَا رَبُّنَا وَيَغْفِرْ لَنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلْخَـٰسِرِينَ١٤٩
Walamma suqita fee aydeehim waraaw annahum qad dalloo qaloo lain lam yarhamna rabbuna wayaghfir lana lanakoonanna mina alkhasireena
En toen zij spijt hadden en zagen dat zij afgedwaald waren, (hadden) zij (berouw) en zeiden: “Als onze Heer geen genade met ons heeft en ons niet vergeeft, zullen wij zeker tot de verliezers behoren.”
-
وَلَمَّا رَجَعَ مُوسَىٰٓ إِلَىٰ قَوْمِهِۦ غَضْبَـٰنَ أَسِفًا قَالَ بِئْسَمَا خَلَفْتُمُونِى مِنۢ بَعْدِىٓ ۖ أَعَجِلْتُمْ أَمْرَ رَبِّكُمْ ۖ وَأَلْقَى ٱلْأَلْوَاحَ وَأَخَذَ بِرَأْسِ أَخِيهِ يَجُرُّهُۥٓ إِلَيْهِ ۚ قَالَ ٱبْنَ أُمَّ إِنَّ ٱلْقَوْمَ ٱسْتَضْعَفُونِى وَكَادُوا۟ يَقْتُلُونَنِى فَلَا تُشْمِتْ بِىَ ٱلْأَعْدَآءَ وَلَا تَجْعَلْنِى مَعَ ٱلْقَوْمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ١٥٠
Walamma rajaʿa moosa ila qawmihi ghadbana asifan qala bisama khalaftumoonee min baʿdee aʿajiltum amra rabbikum waalqa alalwaha waakhatha birasi akheehi yajurruhu ilayhi qala ibna omma inna alqawma istadʿafoonee wakadoo yaqtuloonanee fala tushmit biya alaʿdaa wala tajʿalnee maʿa alqawmi alththalimeena
En toen Moesa boos en geschokt tot zijn volk terugkeerde, zei hij: “Wat jullie gedaan hebben tijdens mijn afwezigheid is een slechte zaak. Hebben jullie je gehaast en zijn jullie voorop gegaan in de zaak van jullie Heer?” En hij gooide de schriften neer en greep zijn broeder (bij de haren en zijn baard) van zijn hoofd en sleepte hem naar zich toe. Haaroen zei: “O, zoon van mijn moeder! Voorwaar, de mensen onderdrukte mij en wilden mij bijna vermoorden, Laat de vijand daarom niet over deze situatie verheugen en zet mij niet tussen de mensen die onrechtvaardig zijn.”
-
قَالَ رَبِّ ٱغْفِرْ لِى وَلِأَخِى وَأَدْخِلْنَا فِى رَحْمَتِكَ ۖ وَأَنتَ أَرْحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ١٥١
Qala rabbi ighfir lee waliakhee waadkhilna fee rahmatika waanta arhamu alrrahimeena
Moesa zei: “O mijn Heer! Vergeef mij en mijn broeder en laat ons toe tot Uw genade, want U bent de genadigste van allen die genade tonen.”
-
إِنَّ ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ ٱلْعِجْلَ سَيَنَالُهُمْ غَضَبٌ مِّن رَّبِّهِمْ وَذِلَّةٌ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُفْتَرِينَ١٥٢
Inna allatheena ittakhathoo alʿijla sayanaluhum ghadabun min rabbihim wathillatun fee alhayati alddunya wakathalika najzee almuftareena
Zeker, degenen die het kalf namen, daar zal de toorn en de vernedering van hun Heer over heen komen in het leven van deze wereld. Dus Wij vergelden degenen die leugens verzinnen.
-
وَٱلَّذِينَ عَمِلُوا۟ ٱلسَّيِّـَٔاتِ ثُمَّ تَابُوا۟ مِنۢ بَعْدِهَا وَءَامَنُوٓا۟ إِنَّ رَبَّكَ مِنۢ بَعْدِهَا لَغَفُورٌ رَّحِيمٌ١٥٣
Waallatheena ʿamiloo alssayyiati thumma taboo min baʿdiha waamanoo inna rabbaka min baʿdiha laghafoorun raheemun
Maar degenen die kwade daden begaan en daarna berouw vertonen en geloven, waarlijk, jullie Heer is de meest Genadevolle, de meest Barmhartige.
-
وَلَمَّا سَكَتَ عَن مُّوسَى ٱلْغَضَبُ أَخَذَ ٱلْأَلْوَاحَ ۖ وَفِى نُسْخَتِهَا هُدًى وَرَحْمَةٌ لِّلَّذِينَ هُمْ لِرَبِّهِمْ يَرْهَبُونَ١٥٤
Walamma sakata ʿan moosa alghadabu akhatha alalwaha wafee nuskhatiha hudan warahmatun lillatheena hum lirabbihim yarhaboona
En toen de woede van Moesa gezakt was, pakte hij de schriften en in hun inscriptie was leiding en genade voor degenen die hun Heer vrezen.
-
وَٱخْتَارَ مُوسَىٰ قَوْمَهُۥ سَبْعِينَ رَجُلًا لِّمِيقَـٰتِنَا ۖ فَلَمَّآ أَخَذَتْهُمُ ٱلرَّجْفَةُ قَالَ رَبِّ لَوْ شِئْتَ أَهْلَكْتَهُم مِّن قَبْلُ وَإِيَّـٰىَ ۖ أَتُهْلِكُنَا بِمَا فَعَلَ ٱلسُّفَهَآءُ مِنَّآ ۖ إِنْ هِىَ إِلَّا فِتْنَتُكَ تُضِلُّ بِهَا مَن تَشَآءُ وَتَهْدِى مَن تَشَآءُ ۖ أَنتَ وَلِيُّنَا فَٱغْفِرْ لَنَا وَٱرْحَمْنَا ۖ وَأَنتَ خَيْرُ ٱلْغَـٰفِرِينَ١٥٥
Waikhtara moosa qawmahu sabʿeena rajulan limeeqatina falamma akhathathumu alrrajfatu qala rabbi law shita ahlaktahum min qablu waiyyaya atuhlikuna bima faʿala alssufahao minna in hiya illa fitnatuka tudillu biha man tashao watahdee man tashao anta waliyyuna faighfir lana wairhamna waanta khayru alghafireena
En Moesa koos uit zijn mensen zeventig mensen voor Onze aangewezen tijd en toen zij door een aardbeving getroffen werden zei hij: “O, mijn Heer, als het Uw wil is, kon U hen vernietigd hebben en mij; zult U ons voor de daden van dwazen, die onder ons zijn, vernietigen? Het is slechts Uw beproeving, waardoor U degene die U wilt, laat dwalen en degene die U wilt, recht leidt. U bent onze beschermheer, vergeef ons dus en heb genade met ons, want U bent de beste van degene die vergeeft.
-
۞ وَٱكْتُبْ لَنَا فِى هَـٰذِهِ ٱلدُّنْيَا حَسَنَةً وَفِى ٱلْـَٔاخِرَةِ إِنَّا هُدْنَآ إِلَيْكَ ۚ قَالَ عَذَابِىٓ أُصِيبُ بِهِۦ مَنْ أَشَآءُ ۖ وَرَحْمَتِى وَسِعَتْ كُلَّ شَىْءٍ ۚ فَسَأَكْتُبُهَا لِلَّذِينَ يَتَّقُونَ وَيُؤْتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَٱلَّذِينَ هُم بِـَٔايَـٰتِنَا يُؤْمِنُونَ١٥٦
Waoktub lana fee hathihi alddunya hasanatan wafee alakhirati inna hudna ilayka qala ʿathabee oseebu bihi man ashao warahmatee wasiʿat kulla shayin fasaaktubuha lillatheena yattaqoona wayutoona alzzakata waallatheena hum biayatina yuminoona
En bepaal voor ons het goede in de wereld en in het hiernamaals. Zeker, wij wenden ons tot U.” Hij zei: “Mijn bestraffing laat Ik treffen wie Ik wil en Mijn genade omvat alles. Dat zal Ik schenken aan degenen die godvrezend1zijn en zakaat geven en degenen die in Onze tekenen geloven.
Voetnoten
[1]dus het is verplicht om te groeien in je reis naar het hiernamaals, te groeien in het leren kennen van Allah, te groeien in de aanbidding, te groeien om een band te krijgen met de Koran ect. -
ٱلَّذِينَ يَتَّبِعُونَ ٱلرَّسُولَ ٱلنَّبِىَّ ٱلْأُمِّىَّ ٱلَّذِى يَجِدُونَهُۥ مَكْتُوبًا عِندَهُمْ فِى ٱلتَّوْرَىٰةِ وَٱلْإِنجِيلِ يَأْمُرُهُم بِٱلْمَعْرُوفِ وَيَنْهَىٰهُمْ عَنِ ٱلْمُنكَرِ وَيُحِلُّ لَهُمُ ٱلطَّيِّبَـٰتِ وَيُحَرِّمُ عَلَيْهِمُ ٱلْخَبَـٰٓئِثَ وَيَضَعُ عَنْهُمْ إِصْرَهُمْ وَٱلْأَغْلَـٰلَ ٱلَّتِى كَانَتْ عَلَيْهِمْ ۚ فَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ بِهِۦ وَعَزَّرُوهُ وَنَصَرُوهُ وَٱتَّبَعُوا۟ ٱلنُّورَ ٱلَّذِىٓ أُنزِلَ مَعَهُۥٓ ۙ أُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْمُفْلِحُونَ١٥٧
Allatheena yattabiʿoona alrrasoola alnnabiyya alommiyya allathee yajidoonahu maktooban ʿindahum fee alttawrati waalinjeeli yamuruhum bialmaʿroofi wayanhahum ʿani almunkari wayuhillu lahumu alttayyibati wayuharrimu ʿalayhimu alkhabaitha wayadaʿu ʿanhum israhum waalaghlala allatee kanat ʿalayhim faallatheena amanoo bihi waʿazzaroohu wanasaroohu waittabaʿoo alnnoora allathee onzila maʿahu olaika humu almuflihoona
Zij die de boodschapper – de ongeletterde Profeet Mohammed vrede en zegeningen zij met hem en alle profeten – volgen, die zij in de Thora en het Evangelie beschreven vinden. Hij die hen de goede dingen veroorlooft en het slechte verbiedt. Hij die hen ontheft van de last en de ketenen die hen bonden. Zij die in hem geloven en hem eren en ondersteunen en het licht dat met hem is nedergezonden volgen, zullen zeer zeker slagen.
-
قُلْ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِنِّى رَسُولُ ٱللَّهِ إِلَيْكُمْ جَمِيعًا ٱلَّذِى لَهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۖ لَآ إِلَـٰهَ إِلَّا هُوَ يُحْىِۦ وَيُمِيتُ ۖ فَـَٔامِنُوا۟ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِ ٱلنَّبِىِّ ٱلْأُمِّىِّ ٱلَّذِى يُؤْمِنُ بِٱللَّهِ وَكَلِمَـٰتِهِۦ وَٱتَّبِعُوهُ لَعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَ١٥٨
Qul ya ayyuha alnnasu innee rasoolu Allahi ilaykum jameeʿan allathee lahu mulku alssamawati waalardi la ilaha illa huwa yuhyee wayumeetu faaminoo biAllahi warasoolihi alnnabiyyi alommiyyi allathee yuminu biAllahi wakalimatihi waittabiʿoohu laʿallakum tahtadoona
Zeg: “O Mensheid! Waarlijk, ik ben tot jullie gestuurd als de boodschapper van Allah – aan wie het rijk van de hemelen en aarde toebehoort. Er is er geen die het recht om aanbeden te worden heeft, behalve Hij; Hij is het die het leven geeft en de dood veroorzaakt. Geloof dus in Allah en in Zijn boodschapper, de Profeet die niet kan lezen of schrijven1 die in Allah gelooft en in Zijn woorden, volg hem, zodat jullie geleid zijn.
Voetnoten
[1]het feit dat de Profeet vrede en zegening zij met hem ongeletterd is, is een sterk bewijs dat hij dit wonderlijke boek, de Koran, dus niet heeft gemaakt maar slechts van de Heer van de hemelen en aarde. Maar dat begrijpen slechts de mensen die in feiten geloven en niet in fabels. -
وَمِن قَوْمِ مُوسَىٰٓ أُمَّةٌ يَهْدُونَ بِٱلْحَقِّ وَبِهِۦ يَعْدِلُونَ١٥٩
Wamin qawmi moosa ommatun yahdoona bialhaqqi wabihi yaʿdiloona
En van het volk van Moesa is er een gemeenschap die in waarheid kan leiden en rechtvaardigheid tussen hun kan oordelen.
-
وَقَطَّعْنَـٰهُمُ ٱثْنَتَىْ عَشْرَةَ أَسْبَاطًا أُمَمًا ۚ وَأَوْحَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰٓ إِذِ ٱسْتَسْقَىٰهُ قَوْمُهُۥٓ أَنِ ٱضْرِب بِّعَصَاكَ ٱلْحَجَرَ ۖ فَٱنۢبَجَسَتْ مِنْهُ ٱثْنَتَا عَشْرَةَ عَيْنًا ۖ قَدْ عَلِمَ كُلُّ أُنَاسٍ مَّشْرَبَهُمْ ۚ وَظَلَّلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلْغَمَـٰمَ وَأَنزَلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلْمَنَّ وَٱلسَّلْوَىٰ ۖ كُلُوا۟ مِن طَيِّبَـٰتِ مَا رَزَقْنَـٰكُمْ ۚ وَمَا ظَلَمُونَا وَلَـٰكِن كَانُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ١٦٠
Waqattaʿnahumu ithnatay ʿashrata asbatan omaman waawhayna ila moosa ithi istasqahu qawmuhu ani idrib biʿasaka alhajara fainbajasat minhu ithnata ʿashrata ʿaynan qad ʿalima kullu onasin mashrabahum wathallalna ʿalayhimu alghamama waanzalna ʿalayhimu almanna waalssalwa kuloo min tayyibati ma razaqnakum wama thalamoona walakin kanoo anfusahum yathlimoona
En Wij hebben hen in twaalf stammen (als verschillende) volkeren verdeeld. Wij hebben Moesa door openbaring geleid, toen zijn volk hem om water vroeg (zei Allah): “Sla met jouw staf op de steen.” En er stroomden twaalf bronnen uit; iedere groep kende zijn eigen plaats voor het water. Wij gaven hen met wolken schaduw en stuurden de ‘Manna’ (zoet water) en de 'Salwa' (kwartels) (zeggende): “Eet van de goede dingen, waarmee Wij jullie voorzien hebben.” Zij kwetsten ons niet, maar zij kwetsten zichzelf.
-
وَإِذْ قِيلَ لَهُمُ ٱسْكُنُوا۟ هَـٰذِهِ ٱلْقَرْيَةَ وَكُلُوا۟ مِنْهَا حَيْثُ شِئْتُمْ وَقُولُوا۟ حِطَّةٌ وَٱدْخُلُوا۟ ٱلْبَابَ سُجَّدًا نَّغْفِرْ لَكُمْ خَطِيٓـَٔـٰتِكُمْ ۚ سَنَزِيدُ ٱلْمُحْسِنِينَ١٦١
Waith qeela lahumu oskunoo hathihi alqaryata wakuloo minha haythu shitum waqooloo hittatun waodkhuloo albaba sujjadan naghfir lakum khateeatikum sanazeedu almuhsineena
En (gedenk) dat er tegen jullie gezegd was: “Treed deze stad binnen en eet daarvan wat jullie wensen en zeg: “Vergeef onze zonden,” en ga de poort knielend binnen. Wij zullen jullie je zonden vergeven. Wij zullen (de beloning) voor de weldoeners doen toenemen.”
-
فَبَدَّلَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ مِنْهُمْ قَوْلًا غَيْرَ ٱلَّذِى قِيلَ لَهُمْ فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِجْزًا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ بِمَا كَانُوا۟ يَظْلِمُونَ١٦٢
Fabaddala allatheena thalamoo minhum qawlan ghayra allathee qeela lahum faarsalna ʿalayhim rijzan mina alssamai bima kanoo yathlimoona
Maar degenen onder hen die valselijk het woord hebben veranderd, dat hen verteld was, zenden Wij dus een bestraffing uit de hemel voor hun wandaden.
-
وَسْـَٔلْهُمْ عَنِ ٱلْقَرْيَةِ ٱلَّتِى كَانَتْ حَاضِرَةَ ٱلْبَحْرِ إِذْ يَعْدُونَ فِى ٱلسَّبْتِ إِذْ تَأْتِيهِمْ حِيتَانُهُمْ يَوْمَ سَبْتِهِمْ شُرَّعًا وَيَوْمَ لَا يَسْبِتُونَ ۙ لَا تَأْتِيهِمْ ۚ كَذَٰلِكَ نَبْلُوهُم بِمَا كَانُوا۟ يَفْسُقُونَ١٦٣
Waisalhum ʿani alqaryati allatee kanat hadirata albahri ith yaʿdoona fee alssabti ith tateehim heetanuhum yawma sabtihim shurraʿan wayawma la yasbitoona la tateehim kathalika nabloohum bima kanoo yafsuqoona
En vraag hen over de stad die bij de zee was, wanneer zij de zaak van de sabbat overtraden; toen hun vis op de dag van de sabbat openlijk tot hen kwam en niet tot hen kwam op een dag dat ze geen sabbat hadden. Dus maakten Wij een beproeving voor hen, want zij zaaiden verderf.
-
وَإِذْ قَالَتْ أُمَّةٌ مِّنْهُمْ لِمَ تَعِظُونَ قَوْمًا ۙ ٱللَّهُ مُهْلِكُهُمْ أَوْ مُعَذِّبُهُمْ عَذَابًا شَدِيدًا ۖ قَالُوا۟ مَعْذِرَةً إِلَىٰ رَبِّكُمْ وَلَعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ١٦٤
Waith qalat ommatun minhum lima taʿithoona qawman Allahu muhlikuhum aw muʿaththibuhum ʿathaban shadeedan qaloo maʿthiratan ila rabbikum walaʿallahum yattaqoona
En toen zei een gemeenschap onder hen: “Waarom preken jullie tot een volk dat Allah zal vernietigen of met een zware bestraffing zal bestraffen?” (De prekers) zeiden: “Om vrij van schuld te zijn voor onze Heer en misschien zullen zij Allah vrezen.”
-
فَلَمَّا نَسُوا۟ مَا ذُكِّرُوا۟ بِهِۦٓ أَنجَيْنَا ٱلَّذِينَ يَنْهَوْنَ عَنِ ٱلسُّوٓءِ وَأَخَذْنَا ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ بِعَذَابٍۭ بَـِٔيسٍۭ بِمَا كَانُوا۟ يَفْسُقُونَ١٦٥
Falamma nasoo ma thukkiroo bihi anjayna allatheena yanhawna ʿani alssooi waakhathna allatheena thalamoo biʿathabin baeesin bima kanoo yafsuqoona
Toen zij dus de herinneringen vergaten die hen gegeven waren, redden Wij degenen die het kwaad verboden, maar Wij grepen degenen die het kwaad beoefenden met een zware straf want zij zaaiden verderf.
-
فَلَمَّا عَتَوْا۟ عَن مَّا نُهُوا۟ عَنْهُ قُلْنَا لَهُمْ كُونُوا۟ قِرَدَةً خَـٰسِـِٔينَ١٦٦
Falamma ʿataw ʿan ma nuhoo ʿanhu qulna lahum koonoo qiradatan khasieena
Dus toen zij de grenzen van wat hen verboden was overtraden, zeiden Wij tegen hen: “Wees apen, veracht en verworpen.”
-
وَإِذْ تَأَذَّنَ رَبُّكَ لَيَبْعَثَنَّ عَلَيْهِمْ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَـٰمَةِ مَن يَسُومُهُمْ سُوٓءَ ٱلْعَذَابِ ۗ إِنَّ رَبَّكَ لَسَرِيعُ ٱلْعِقَابِ ۖ وَإِنَّهُۥ لَغَفُورٌ رَّحِيمٌ١٦٧
Waith taaththana rabbuka layabʿathanna ʿalayhim ila yawmi alqiyamati man yasoomuhum sooa alʿathabi inna rabbaka lasareeʿu alʿiqabi wainnahu laghafoorun raheemun
En (gedenk) dat toen jullie Heer verklaarde dat Hij zeker zou doorgaan met zending tegen hen tot de dag der opstanding, degene die hen met de vernederende bestraffing zullen treffen. Waarlijk, jullie Heer is snel in de vergelding en zeker, Hij is de Vaak-vergevende, Genadevolle.
-
وَقَطَّعْنَـٰهُمْ فِى ٱلْأَرْضِ أُمَمًا ۖ مِّنْهُمُ ٱلصَّـٰلِحُونَ وَمِنْهُمْ دُونَ ذَٰلِكَ ۖ وَبَلَوْنَـٰهُم بِٱلْحَسَنَـٰتِ وَٱلسَّيِّـَٔاتِ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ١٦٨
Waqattaʿnahum fee alardi omaman minhumu alssalihoona waminhum doona thalika wabalawnahum bialhasanati waalssayyiati laʿallahum yarjiʿoona
En Wij hebben hen in verschillende groepen opgebroken over de aarde, sommigen van hen zijn rechtvaardig en sommigen zijn daar ver van. En Wij beproefden hen met goed en kwaad, zodat zij zich misschien (tot Allah Zijn gehoorzaamheid) zouden wenden.
-
فَخَلَفَ مِنۢ بَعْدِهِمْ خَلْفٌ وَرِثُوا۟ ٱلْكِتَـٰبَ يَأْخُذُونَ عَرَضَ هَـٰذَا ٱلْأَدْنَىٰ وَيَقُولُونَ سَيُغْفَرُ لَنَا وَإِن يَأْتِهِمْ عَرَضٌ مِّثْلُهُۥ يَأْخُذُوهُ ۚ أَلَمْ يُؤْخَذْ عَلَيْهِم مِّيثَـٰقُ ٱلْكِتَـٰبِ أَن لَّا يَقُولُوا۟ عَلَى ٱللَّهِ إِلَّا ٱلْحَقَّ وَدَرَسُوا۟ مَا فِيهِ ۗ وَٱلدَّارُ ٱلْـَٔاخِرَةُ خَيْرٌ لِّلَّذِينَ يَتَّقُونَ ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ١٦٩
Fakhalafa min baʿdihim khalfun warithoo alkitaba yakhuthoona ʿarada hatha aladna wayaqooloona sayughfaru lana wain yatihim ʿaradun mithluhu yakhuthoohu alam yukhath ʿalayhim meethaqu alkitabi an la yaqooloo ʿala Allahi illa alhaqqa wadarasoo ma feehi waalddaru alakhiratu khayrun lillatheena yattaqoona afala taʿqiloona
Toen kwam na hen een generatie, die het boek erfde, maar voor zichzelf de goederen van dit lage leven koos zeggende: “(Alles) zal ons vergeven worden.” En als er (opnieuw) het aanbod van iets dergelijks op hun pad kwam, dan zouden zij het (opnieuw) grijpen. Was er geen verbond van het boek met hen afgesloten en zouden zij niets anders dan de waarheid over Allah zeggen? En zij hebben bestudeerd wat daar geschreven staat. En het tehuis van het hiernamaals is beter voor degenen die godvrezend zijn. Begrijpen jullie dat dan niet?
-
وَٱلَّذِينَ يُمَسِّكُونَ بِٱلْكِتَـٰبِ وَأَقَامُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ إِنَّا لَا نُضِيعُ أَجْرَ ٱلْمُصْلِحِينَ١٧٠
Waallatheena yumassikoona bialkitabi waaqamoo alssalata inna la nudeeʿu ajra almusliheena
En voor degenen die zich aan het boek stevig vasthouden en perfect hun gebeden verrichten, zeker zullen Wij de beloning nooit verloren gaan voor degenen die goede daden verrichten.
-
۞ وَإِذْ نَتَقْنَا ٱلْجَبَلَ فَوْقَهُمْ كَأَنَّهُۥ ظُلَّةٌ وَظَنُّوٓا۟ أَنَّهُۥ وَاقِعٌۢ بِهِمْ خُذُوا۟ مَآ ءَاتَيْنَـٰكُم بِقُوَّةٍ وَٱذْكُرُوا۟ مَا فِيهِ لَعَلَّكُمْ تَتَّقُونَ١٧١
Waith nataqna aljabala fawqahum kaannahu thullatun wathannoo annahu waqiʿun bihim khuthoo ma ataynakum biquwwatin waothkuroo ma feehi laʿallakum tattaqoona
En (gedenk) toen Wij de berg boven hen deden verhieven alsof het vast zat aan de wolk, dachten zij dat het op hen zou vallen. (Wij zeiden): “Houd stevig vast aan wat Wij jullie gegeven hebben en gedenk wat daarin geschreven staat, zodat jullie Allah moge vrezen en Hem gehoorzamen.”
-
وَإِذْ أَخَذَ رَبُّكَ مِنۢ بَنِىٓ ءَادَمَ مِن ظُهُورِهِمْ ذُرِّيَّتَهُمْ وَأَشْهَدَهُمْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمْ أَلَسْتُ بِرَبِّكُمْ ۖ قَالُوا۟ بَلَىٰ ۛ شَهِدْنَآ ۛ أَن تَقُولُوا۟ يَوْمَ ٱلْقِيَـٰمَةِ إِنَّا كُنَّا عَنْ هَـٰذَا غَـٰفِلِينَ١٧٢
Waith akhatha rabbuka min banee adama min thuhoorihim thurriyyatahum waashhadahum ʿala anfusihim alastu birabbikum qaloo bala shahidna an taqooloo yawma alqiyamati inna kunna ʿan hatha ghafileena
En (gedenk) toen jullie Heer de kinderen van Adam voorbracht, uit hun lenden, hun zaad en liet hen voor henzelf getuigen (zeggende): “Ben Ik niet jullie Heer?” Zij zeiden: “Ja! Wij getuigen.” Zodat jullie op de dag der opstanding niet zullen zeggen: “Waarlijk, wij wisten dit niet.”
-
أَوْ تَقُولُوٓا۟ إِنَّمَآ أَشْرَكَ ءَابَآؤُنَا مِن قَبْلُ وَكُنَّا ذُرِّيَّةً مِّنۢ بَعْدِهِمْ ۖ أَفَتُهْلِكُنَا بِمَا فَعَلَ ٱلْمُبْطِلُونَ١٧٣
Aw taqooloo innama ashraka abaona min qablu wakunna thurriyyatan min baʿdihim afatuhlikuna bima faʿala almubtiloona
Of dat jullie niet zullen zeggen: “Het waren slechts onze vaders vroeger die anderen als deelgenoot in de aanbidding bij Allah namen en wij waren (slechts) hun afstammelingen; zult U ons dan vernietigen vanwege de daden van mannen die de leugen praktiseerden?”
-
وَكَذَٰلِكَ نُفَصِّلُ ٱلْـَٔايَـٰتِ وَلَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ١٧٤
Wakathalika nufassilu alayati walaʿallahum yarjiʿoona
Dus Wij hebben de tekenen nauwkeurig uitgelegd, zodat zij zich (tot de waarheid) mogen keren.
-
وَٱتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ ٱلَّذِىٓ ءَاتَيْنَـٰهُ ءَايَـٰتِنَا فَٱنسَلَخَ مِنْهَا فَأَتْبَعَهُ ٱلشَّيْطَـٰنُ فَكَانَ مِنَ ٱلْغَاوِينَ١٧٥
Waotlu ʿalayhim nabaa allathee ataynahu ayatina fainsalakha minha faatbaʿahu alshshaytanu fakana mina alghaweena
(O Mohammed), draag het verhaal voor aan hen (de joden) over diegene aan wie Wij Onze aayaat (tekenen, bewijzen, lessen, onthullingen, enz.) hebben gegeven, maar hij verwierp ze uit ongeloof. Dus volgde Shaytaan hem (op de voet) en werd hij één van de dwalende dolers.
-
وَلَوْ شِئْنَا لَرَفَعْنَـٰهُ بِهَا وَلَـٰكِنَّهُۥٓ أَخْلَدَ إِلَى ٱلْأَرْضِ وَٱتَّبَعَ هَوَىٰهُ ۚ فَمَثَلُهُۥ كَمَثَلِ ٱلْكَلْبِ إِن تَحْمِلْ عَلَيْهِ يَلْهَثْ أَوْ تَتْرُكْهُ يَلْهَث ۚ ذَّٰلِكَ مَثَلُ ٱلْقَوْمِ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا ۚ فَٱقْصُصِ ٱلْقَصَصَ لَعَلَّهُمْ يَتَفَكَّرُونَ١٧٦
Walaw shina larafaʿnahu biha walakinnahu akhlada ila alardi waittabaʿa hawahu famathaluhu kamathali alkalbi in tahmil ʿalayhi yalhath aw tatrukhu yalhath thalika mathalu alqawmi allatheena kaththaboo biayatina faoqsusi alqasasa laʿallahum yatafakkaroona
En als Wij het hadden gewild, dan hadden Wij hem zeker met (Onze verzen) verheven (d.w.z. tot rang van geleerde). Maar hij bleef zich vastklampen aan de aarde (het wereldse leven) en volgde zijn zelfingenomen begeertes. Zijn beschrijving is zoals de beschrijving van een hond: als je hem wegjaagt, hangt zijn tong uit zijn bek en als je hem achterlaat, dan hangt zijn tong er nog steeds uit. Dit is de beschrijving van de mensen die Onze aayaat (tekenen) verwerpen. Vertel ze dus de (authentieke) verhalen, in de hoop dat zij erover nadenken.
-
سَآءَ مَثَلًا ٱلْقَوْمُ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا وَأَنفُسَهُمْ كَانُوا۟ يَظْلِمُونَ١٧٧
Saa mathalan alqawmu allatheena kaththaboo biayatina waanfusahum kanoo yathlimoona
Kwaad is de gelijkenis van de mensen die Onze tekenen verwerpen en zichzelf kwaaddoen.
-
مَن يَهْدِ ٱللَّهُ فَهُوَ ٱلْمُهْتَدِى ۖ وَمَن يُضْلِلْ فَأُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْخَـٰسِرُونَ١٧٨
Man yahdi Allahu fahuwa almuhtadee waman yudlil faolaika humu alkhasiroona
Iedereen die Allah leidt, zijn de geleiden en iedereen die Hij laat dwalen, dat zijn de verliezers.
-
وَلَقَدْ ذَرَأْنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرًا مِّنَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ ۖ لَهُمْ قُلُوبٌ لَّا يَفْقَهُونَ بِهَا وَلَهُمْ أَعْيُنٌ لَّا يُبْصِرُونَ بِهَا وَلَهُمْ ءَاذَانٌ لَّا يَسْمَعُونَ بِهَآ ۚ أُو۟لَـٰٓئِكَ كَٱلْأَنْعَـٰمِ بَلْ هُمْ أَضَلُّ ۚ أُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْغَـٰفِلُونَ١٧٩
Walaqad tharana lijahannama katheeran mina aljinni waalinsi lahum quloobun la yafqahoona biha walahum aʿyunun la yubsiroona biha walahum athanun la yasmaʿoona biha olaika kaalanʿami bal hum adallu olaika humu alghafiloona
Voorzeker, Wij hebben velen van de djinn en de mensen voor de hel geschapen. Zij hebben harten, waarmee zij (de waarheid) niet begrijpen, zij hebben ogen waarmee zij niet zien en zij hebben oren waarmee zij (de verzen) niet horen. Zij zijn zoals het vee! Neen, hun dwaling is zelfs erger1 (want) zij zijn de achtelozen!
Voetnoten
[1] Waarom erger? Erger omdat het vee slechts doet waarvoor het geschapen werd. Daarenboven hebben ze een dierlijk instinct dat hen waarschuwt voor gevaar, en dus ook wegvlucht zodra er gevaar dreigt. Dit in tegenstelling tot veel mensen en djinn. -
وَلِلَّهِ ٱلْأَسْمَآءُ ٱلْحُسْنَىٰ فَٱدْعُوهُ بِهَا ۖ وَذَرُوا۟ ٱلَّذِينَ يُلْحِدُونَ فِىٓ أَسْمَـٰٓئِهِۦ ۚ سَيُجْزَوْنَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ١٨٠
Walillahi alasmao alhusna faodʿoohu biha watharoo allatheena yulhidoona fee asmaihi sayujzawna ma kanoo yaʿmaloona
En (alle) van de mooiste namen behoren Allah toe, roep Hem bij ze aan en verlaat het gezelschap van degenen die Zijn namen verloochenen en ontkennen. Zij zullen voor hun daden vergolden worden.
-
وَمِمَّنْ خَلَقْنَآ أُمَّةٌ يَهْدُونَ بِٱلْحَقِّ وَبِهِۦ يَعْدِلُونَ١٨١
Wamimman khalaqna ommatun yahdoona bialhaqqi wabihi yaʿdiloona
En van degenen die Wij geschapen hebben is er een gemeenschap die (anderen) leidt in de waarheid en daartussen rechtvaardigheid betracht.
-
وَٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا سَنَسْتَدْرِجُهُم مِّنْ حَيْثُ لَا يَعْلَمُونَ١٨٢
Waallatheena kaththaboo biayatina sanastadrijuhum min haythu la yaʿlamoona
Degenen die Onze tekenen verwerpen zullen Wij geleidelijk met de bestraffing grijpen op manieren die zij niet kunnen voorzien.
-
وَأُمْلِى لَهُمْ ۚ إِنَّ كَيْدِى مَتِينٌ١٨٣
Waomlee lahum inna kaydee mateenun
Ik geef hen uitstel, zeker Mijn plan is sterk.
-
أَوَلَمْ يَتَفَكَّرُوا۟ ۗ مَا بِصَاحِبِهِم مِّن جِنَّةٍ ۚ إِنْ هُوَ إِلَّا نَذِيرٌ مُّبِينٌ١٨٤
Awalam yatafakkaroo ma bisahibihim min jinnatin in huwa illa natheerun mubeenun
Denken zij niet na. Er is geen krankzinnigheid in hun metgezel. Hij is een duidelijke waarschuwer.
-
أَوَلَمْ يَنظُرُوا۟ فِى مَلَكُوتِ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا خَلَقَ ٱللَّهُ مِن شَىْءٍ وَأَنْ عَسَىٰٓ أَن يَكُونَ قَدِ ٱقْتَرَبَ أَجَلُهُمْ ۖ فَبِأَىِّ حَدِيثٍۭ بَعْدَهُۥ يُؤْمِنُونَ١٨٥
Awalam yanthuroo fee malakooti alssamawati waalardi wama khalaqa Allahu min shayin waan ʿasa an yakoona qadi iqtaraba ajaluhum fabiayyi hadeethin baʿdahu yuminoona
Kijken zij dan niet in het rijk van de hemelen en de aarde en naar alle zaken die Allah geschapen heeft en kan het zijn dat het einde van hun leven nabij is? In welke boodschap zullen zij hierna dan geloven?
-
مَن يُضْلِلِ ٱللَّهُ فَلَا هَادِىَ لَهُۥ ۚ وَيَذَرُهُمْ فِى طُغْيَـٰنِهِمْ يَعْمَهُونَ١٨٦
Man yudlili Allahu fala hadiya lahu wayatharuhum fee tughyanihim yaʿmahoona
Iedereen die Allah laat dwalen, kan niemand leiden; en Hij laat hen blind ronddwalen in hun overtredingen.
-
يَسْـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلسَّاعَةِ أَيَّانَ مُرْسَىٰهَا ۖ قُلْ إِنَّمَا عِلْمُهَا عِندَ رَبِّى ۖ لَا يُجَلِّيهَا لِوَقْتِهَآ إِلَّا هُوَ ۚ ثَقُلَتْ فِى ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ لَا تَأْتِيكُمْ إِلَّا بَغْتَةً ۗ يَسْـَٔلُونَكَ كَأَنَّكَ حَفِىٌّ عَنْهَا ۖ قُلْ إِنَّمَا عِلْمُهَا عِندَ ٱللَّهِ وَلَـٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ١٨٧
Yasaloonaka ʿani alssaʿati ayyana mursaha qul innama ʿilmuha ʿinda rabbee la yujalleeha liwaqtiha illa huwa thaqulat fee alssamawati waalardi la tateekum illa baghtatan yasaloonaka kaannaka hafiyyun ʿanha qul innama ʿilmuha ʿinda Allahi walakinna akthara alnnasi la yaʿlamoona
Zij vragen jou over het Uur: “Wanneer zal de aangewezen tijd zijn?” Zeg: “De kennis daarvan is (alleen) bij mijn Heer. Niemand kan daar de tijd van openbaren, behalve Hij. Zwaar is de last voor de hemelen en de aarde. Het zal onverwachts over jullie komen.” Zij vragen jou alsof jij daar goede kennis van hebt. Zeg: “De kennis daarvan is (alleen) bij Allah, maar de meeste mensen weten het niet.”
-
قُل لَّآ أَمْلِكُ لِنَفْسِى نَفْعًا وَلَا ضَرًّا إِلَّا مَا شَآءَ ٱللَّهُ ۚ وَلَوْ كُنتُ أَعْلَمُ ٱلْغَيْبَ لَٱسْتَكْثَرْتُ مِنَ ٱلْخَيْرِ وَمَا مَسَّنِىَ ٱلسُّوٓءُ ۚ إِنْ أَنَا۠ إِلَّا نَذِيرٌ وَبَشِيرٌ لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ١٨٨
Qul la amliku linafsee nafʿan wala darran illa ma shaa Allahu walaw kuntu aʿlamu alghayba laistakthartu mina alkhayri wama massaniya alssooo in ana illa natheerun wabasheerun liqawmin yuminoona
Zeg: “Ik bezit geen kracht ten gunste of ten nadele van mijzelf, behalve als Allah het wil. Als ik de kennis van het onzichtbare had, dan zou ik voor mijzelf een overvloed aan weelde veilig hebben gesteld en geen kwaad zou mij aanraken. Ik ben alleen maar een waarschuwer, een brenger van goede berichten voor de mensen die geloven.
-
۞ هُوَ ٱلَّذِى خَلَقَكُم مِّن نَّفْسٍ وَٰحِدَةٍ وَجَعَلَ مِنْهَا زَوْجَهَا لِيَسْكُنَ إِلَيْهَا ۖ فَلَمَّا تَغَشَّىٰهَا حَمَلَتْ حَمْلًا خَفِيفًا فَمَرَّتْ بِهِۦ ۖ فَلَمَّآ أَثْقَلَت دَّعَوَا ٱللَّهَ رَبَّهُمَا لَئِنْ ءَاتَيْتَنَا صَـٰلِحًا لَّنَكُونَنَّ مِنَ ٱلشَّـٰكِرِينَ١٨٩
Huwa allathee khalaqakum min nafsin wahidatin wajaʿala minha zawjaha liyaskuna ilayha falamma taghashshaha hamalat hamlan khafeefan famarrat bihi falamma athqalat daʿawa Allaha rabbahuma lain ataytana salihan lanakoonanna mina alshshakireena
Hij is het die jullie geschapen heeft uit één enkele persoon en (toen) heeft Hij uit hem zijn vrouw geschapen, zodat hij het plezier zou beleven om met haar samen te leven. Toen hij geslachtsgemeenschap met haar had gehad, werd zij zwanger, maar zij droeg het licht, beiden riepen zij Allah aan, hun Heer (zeggende): “Als U ons een kind geeft dat in alle aspecten goed is, zullen wij zeker dankbaar zijn.”
-
فَلَمَّآ ءَاتَىٰهُمَا صَـٰلِحًا جَعَلَا لَهُۥ شُرَكَآءَ فِيمَآ ءَاتَىٰهُمَا ۚ فَتَعَـٰلَى ٱللَّهُ عَمَّا يُشْرِكُونَ١٩٠
Falamma atahuma salihan jaʿala lahu shurakaa feema atahuma fataʿala Allahu ʿamma yushrikoona
Maar toen Hij hen een in alle aspecten goed kind gaf, maakten zij Hem deelgenoot in dat wat Hij hen had gegeven. Hoog zij Allah, Verheven boven alles wat zij aan Hem als deelgenoten toeschrijven.
-
أَيُشْرِكُونَ مَا لَا يَخْلُقُ شَيْـًٔا وَهُمْ يُخْلَقُونَ١٩١
Ayushrikoona ma la yakhluqu shayan wahum yukhlaqoona
Kennen zij aan Allah deelgenoten toe van degenen die niets geschapen hebben en die zij zelf geschapen hebben?
-
وَلَا يَسْتَطِيعُونَ لَهُمْ نَصْرًا وَلَآ أَنفُسَهُمْ يَنصُرُونَ١٩٢
Wala yastateeʿoona lahum nasran wala anfusahum yansuroona
Geen hulp kunnen zij hen geven, noch kunnen zij zichzelf helpen.
-
وَإِن تَدْعُوهُمْ إِلَى ٱلْهُدَىٰ لَا يَتَّبِعُوكُمْ ۚ سَوَآءٌ عَلَيْكُمْ أَدَعَوْتُمُوهُمْ أَمْ أَنتُمْ صَـٰمِتُونَ١٩٣
Wain tadʿoohum ila alhuda la yattabiʿookum sawaon ʿalaykum adaʿawtumoohum am antum samitoona
En als jullie hen voor leiding roepen, dan volgen zij jullie niet. Het is voor jullie hetzelfde, of jullie ze roepen of niets zeggen...
-
إِنَّ ٱلَّذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ عِبَادٌ أَمْثَالُكُمْ ۖ فَٱدْعُوهُمْ فَلْيَسْتَجِيبُوا۟ لَكُمْ إِن كُنتُمْ صَـٰدِقِينَ١٩٤
Inna allatheena tadʿoona min dooni Allahi ʿibadun amthalukum faodʿoohum falyastajeeboo lakum in kuntum sadiqeena
Waarlijk, degenen die jullie naast Allah oproepen, zijn net als jullie slaven. Roep hen dus en laat hen jullie antwoorden als jullie waarachtig zijn.
-
أَلَهُمْ أَرْجُلٌ يَمْشُونَ بِهَآ ۖ أَمْ لَهُمْ أَيْدٍ يَبْطِشُونَ بِهَآ ۖ أَمْ لَهُمْ أَعْيُنٌ يُبْصِرُونَ بِهَآ ۖ أَمْ لَهُمْ ءَاذَانٌ يَسْمَعُونَ بِهَا ۗ قُلِ ٱدْعُوا۟ شُرَكَآءَكُمْ ثُمَّ كِيدُونِ فَلَا تُنظِرُونِ١٩٥
Alahum arjulun yamshoona biha am lahum aydin yabtishoona biha am lahum aʿyunun yubsiroona biha am lahum athanun yasmaʿoona biha quli odʿoo shurakaakum thumma keedooni fala tunthirooni
Hebben zij voeten waarmee zij lopen? Of handen, waarmee zij vasthouden of hebben zij ogen, waarmee zij zien? Of hebben zij oren, waarmee zij horen? Zeg: “Roep jullie deelgenoten en zij zweren tegen mij samen en zij geven mij geen uitstel!
-
إِنَّ وَلِـِّۧىَ ٱللَّهُ ٱلَّذِى نَزَّلَ ٱلْكِتَـٰبَ ۖ وَهُوَ يَتَوَلَّى ٱلصَّـٰلِحِينَ١٩٦
Inna waliyyiya Allahu allathee nazzala alkitaba wahuwa yatawalla alssaliheena
Waarlijk, mijn beschermheer is Allah Die het boek heeft geopenbaard en Hij beschermt de rechtvaardigen.
-
وَٱلَّذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِهِۦ لَا يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَكُمْ وَلَآ أَنفُسَهُمْ يَنصُرُونَ١٩٧
Waallatheena tadʿoona min doonihi la yastateeʿoona nasrakum wala anfusahum yansuroona
En degenen die jullie naast Hem (Allah) aanroepen kunnen jullie niet helpen of kunnen zichzelf niet helpen.”
-
وَإِن تَدْعُوهُمْ إِلَى ٱلْهُدَىٰ لَا يَسْمَعُوا۟ ۖ وَتَرَىٰهُمْ يَنظُرُونَ إِلَيْكَ وَهُمْ لَا يُبْصِرُونَ١٩٨
Wain tadʿoohum ila alhuda la yasmaʿoo watarahum yanthuroona ilayka wahum la yubsiroona
En als jullie hen voor leiding roepen, horen zij niet en jullie zien hen naar jullie kijken maar zij zien niet.
-
خُذِ ٱلْعَفْوَ وَأْمُرْ بِٱلْعُرْفِ وَأَعْرِضْ عَنِ ٱلْجَـٰهِلِينَ١٩٩
Khuthi alʿafwa wamur bialʿurfi waaʿrid ʿani aljahileena
Aanvaard de excuses (van je medemens zonder daar iets achter te zoeken), spoor aan tot het goede en keer je af van de dwazen (door bij hen weg te blijven).
-
وَإِمَّا يَنزَغَنَّكَ مِنَ ٱلشَّيْطَـٰنِ نَزْغٌ فَٱسْتَعِذْ بِٱللَّهِ ۚ إِنَّهُۥ سَمِيعٌ عَلِيمٌ٢٠٠
Waimma yanzaghannaka mina alshshaytani nazghun faistaʿith biAllahi innahu sameeʿun ʿaleemun
En als Shaytaan jou met een kwade influistering benadert (tijdens het gehoorzamen aan Allah Zijn bevelen), zoek dan toevlucht bij Allah (om het teniet te doen). Waarlijk, Hij is Alhorend (over de woorden), Alwetend (over de daden).
-
إِنَّ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوْا۟ إِذَا مَسَّهُمْ طَـٰٓئِفٌ مِّنَ ٱلشَّيْطَـٰنِ تَذَكَّرُوا۟ فَإِذَا هُم مُّبْصِرُونَ٢٠١
Inna allatheena ittaqaw itha massahum taifun mina alshshaytani tathakkaroo faitha hum mubsiroona
Waarlijk! Degenen die godvrezend zijn, gedenken Allah zodra de kwade gedachten van Shaytaan bij hen opkomen, waardoor zij (het juiste van het goede) kunnen onderscheiden.
-
وَإِخْوَٰنُهُمْ يَمُدُّونَهُمْ فِى ٱلْغَىِّ ثُمَّ لَا يُقْصِرُونَ٢٠٢
Waikhwanuhum yamuddoonahum fee alghayyi thumma la yuqsiroona
En hun (duivelse ongelovige) broeders doen hen nog dieper afdalen in de dwaling, en (overwegen het zelfs niet) om daar mee op te houden.
-
وَإِذَا لَمْ تَأْتِهِم بِـَٔايَةٍ قَالُوا۟ لَوْلَا ٱجْتَبَيْتَهَا ۚ قُلْ إِنَّمَآ أَتَّبِعُ مَا يُوحَىٰٓ إِلَىَّ مِن رَّبِّى ۚ هَـٰذَا بَصَآئِرُ مِن رَّبِّكُمْ وَهُدًى وَرَحْمَةٌ لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ٢٠٣
Waitha lam tatihim biayatin qaloo lawla ijtabaytaha qul innama attabiʿu ma yooha ilayya min rabbee hatha basairu min rabbikum wahudan warahmatun liqawmin yuminoona
En als jullie hen geen wonder brengen zeggen zij: “Waarom hebben jullie het niet gebracht?” Zeg: “Ik volg wat er aan mij door mijn Heer geopenbaard is. Dit zijn niets anders dan bewijzen van jullie Heer en een leiding en een genade voor de mensen die geloven."
-
وَإِذَا قُرِئَ ٱلْقُرْءَانُ فَٱسْتَمِعُوا۟ لَهُۥ وَأَنصِتُوا۟ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ٢٠٤
Waitha quria alquranu faistamiʿoo lahu waansitoo laʿallakum turhamoona
Als dus de Koran gereciteerd wordt, luister er dan naar en zwijg, zodat jullie genade mogen ontvangen.
-
وَٱذْكُر رَّبَّكَ فِى نَفْسِكَ تَضَرُّعًا وَخِيفَةً وَدُونَ ٱلْجَهْرِ مِنَ ٱلْقَوْلِ بِٱلْغُدُوِّ وَٱلْـَٔاصَالِ وَلَا تَكُن مِّنَ ٱلْغَـٰفِلِينَ٢٠٥
Waothkur rabbaka fee nafsika tadarruʿan wakheefatan wadoona aljahri mina alqawli bialghuduwwi waalasali wala takun mina alghafileena
En gedenk jullie Heer in jullie zelf, in nederigheid en met vrees zonder luidheid in woorden, in de ochtenden en in de namiddagen en behoor niet tot degenen die onachtzaam zijn.
-
إِنَّ ٱلَّذِينَ عِندَ رَبِّكَ لَا يَسْتَكْبِرُونَ عَنْ عِبَادَتِهِۦ وَيُسَبِّحُونَهُۥ وَلَهُۥ يَسْجُدُونَ ۩٢٠٦
Inna allatheena ʿinda rabbika la yastakbiroona ʿan ʿibadatihi wayusabbihoonahu walahu yasjudoona
Zeker, degenen die met jouw Heer zijn, zijn nooit te trots om Hem te aanbidden, maar zij verheerlijken Zijn lof en knielen voor Hem.
Veelgestelde vragen
Wat betekent de naam van soera Al-Araf?
Al-Araf betekent ‘De hoogten’.
In welke juz staat soera Al-Araf?
Soera Al-Araf strekt zich uit over juz 8 en 9.
Hoeveel verzen heeft soera Al-Araf?
Soera Al-Araf telt 206 verzen.
Is soera Al-Araf Mekkaans of Medinaans?
Soera Al-Araf is een Mekkaanse soera.
Welk nummer heeft soera Al-Araf?
Al-Araf is de 7e soera van de Koran.
Bronnen
- Arabic text: Tanzil Quran Text (Uthmani) (Tanzil Project, CC BY 3.0), reproduced without changes.
- Translation: Dutch Islamic Center, from QuranEnc.com, version 2.0.10, reproduced without changes.
- Transliteration: Tanzil.net English transliteration.
- Recitation: Mishary Rashid Alafasy, via QuranicAudio.com and EveryAyah.com.
- Word by word: recordings and meanings from Quran.com (Quran Foundation), played when you tap a word.
- Madinah and IndoPak fonts (Settings): the text in those scripts and their fonts come from the Quran Foundation (Quran.com); the Madinah font is the King Fahd Glorious Quran Printing Complex's Uthmanic Hafs font.
Found a mistake? Report a mistake and we will check it against the source.