سورة المؤمنون

Soera Al-Muminun in het Nederlands

De gelovigen

Mushaf

Mishary Rashid AlafasyMP3 downloadenPDF downloaden

Soera Al-Muminun (المؤمنون) is de 23e soera van de Koran en telt 118 verzen. De naam betekent ‘De gelovigen’. Het is een Mekkaanse soera, geopenbaard in Mekka vóór de Hidjra, en ze staat in juz 18.

Op deze pagina lees je soera Al-Muminun volledig in het Arabisch, vers voor vers met de Nederlandse vertaling van het Dutch Islamic Center en de transliteratie, en kun je naar de recitatie luisteren.

Soera Al-Muminun volledig: Arabisch, Nederlandse vertaling en transliteratie

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَـٰنِ ٱلرَّحِيمِ

  1. قَدْ أَفْلَحَ ٱلْمُؤْمِنُونَ۝١

    Qad aflaha almuminoona

    (Absoluut) succesvol zijn de gelovigen (in Allah en Zijn boodschapper doordat zij handelen naar Zijn geboden en wegblijven van Zijn verboden).

  2. ٱلَّذِينَ هُمْ فِى صَلَاتِهِمْ خَـٰشِعُونَ۝٢

    Allatheena hum fee salatihim khashiʿoona

    (Dit zijn) degenen die volle ghoesjoe (vrees: een hoge staat van het geloof, dit komt middels nuttige kennis opblijven doen tot je sterft) hebben in hun gebeden.

  3. وَٱلَّذِينَ هُمْ عَنِ ٱللَّغْوِ مُعْرِضُونَ۝٣

    Waallatheena hum ʿani allaghwi muʿridoona

    En degenen die zich van de schadelijke woorden afkeren1.

    Voetnoten
    [1]volgens het begrip van de leerlingen van de Profeet Mohammed, vrede en zegeningen zij met hem, dus de sahabah, valt hier onder ook muziek.
  4. وَٱلَّذِينَ هُمْ لِلزَّكَوٰةِ فَـٰعِلُونَ۝٤

    Waallatheena hum lilzzakati faʿiloona

    En degenen die de Zakat betalen.

  5. وَٱلَّذِينَ هُمْ لِفُرُوجِهِمْ حَـٰفِظُونَ۝٥

    Waallatheena hum lifuroojihim hafithoona

    En degenen die hun kuisheid behoeden.

  6. إِلَّا عَلَىٰٓ أَزْوَٰجِهِمْ أَوْ مَا مَلَكَتْ أَيْمَـٰنُهُمْ فَإِنَّهُمْ غَيْرُ مَلُومِينَ۝٦

    Illa ʿala azwajihim aw ma malakat aymanuhum fainnahum ghayru maloomeena

    Behalve voor hun vrouwen of wat hun rechterhand bezit – voor hen, zijn zij vrij van de schande;

  7. فَمَنِ ٱبْتَغَىٰ وَرَآءَ ذَٰلِكَ فَأُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْعَادُونَ۝٧

    Famani ibtagha waraa thalika faolaika humu alʿadoona

    Maar iedereen die meer dan dat wil, zij zijn de overtreders.

  8. وَٱلَّذِينَ هُمْ لِأَمَـٰنَـٰتِهِمْ وَعَهْدِهِمْ رَٰعُونَ۝٨

    Waallatheena hum liamanatihim waʿahdihim raʿoona

    Degenen die oprecht trouw zijn aan datgene wat hun toegewezen is en aan hun verbond;

  9. وَٱلَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَوَٰتِهِمْ يُحَافِظُونَ۝٩

    Waallatheena hum ʿala salawatihim yuhafithoona

    En degenen die hun gebeden strikt onderhouden1.

    Voetnoten
    [1]dus binnen de tijd, dit is de hoofdeigenschap van de moslim; dat hij zijn gebeden op tijd worden verricht op welke planeet hij zich ook bevindt, ook op werk of school.
  10. أُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْوَٰرِثُونَ۝١٠

    Olaika humu alwarithoona

    Zij zijn zeker de erfgenamen.

  11. ٱلَّذِينَ يَرِثُونَ ٱلْفِرْدَوْسَ هُمْ فِيهَا خَـٰلِدُونَ۝١١

    Allatheena yarithoona alfirdawsa hum feeha khalidoona

    Die het paradijs zullen beërven. Zij zullen daarin voor altijd verblijven.

  12. وَلَقَدْ خَلَقْنَا ٱلْإِنسَـٰنَ مِن سُلَـٰلَةٍ مِّن طِينٍ۝١٢

    Walaqad khalaqna alinsana min sulalatin min teenin

    En voorwaar, Wij hebben de mens uit een extract van klei geschapen.

  13. ثُمَّ جَعَلْنَـٰهُ نُطْفَةً فِى قَرَارٍ مَّكِينٍ۝١٣

    Thumma jaʿalnahu nutfatan fee qararin makeenin

    Vervolgens maakten Wij hem als een waterdruppel (en brachten het onder) in een veilig verblijfplaats (de baarmoeder).

  14. ثُمَّ خَلَقْنَا ٱلنُّطْفَةَ عَلَقَةً فَخَلَقْنَا ٱلْعَلَقَةَ مُضْغَةً فَخَلَقْنَا ٱلْمُضْغَةَ عِظَـٰمًا فَكَسَوْنَا ٱلْعِظَـٰمَ لَحْمًا ثُمَّ أَنشَأْنَـٰهُ خَلْقًا ءَاخَرَ ۚ فَتَبَارَكَ ٱللَّهُ أَحْسَنُ ٱلْخَـٰلِقِينَ۝١٤

    Thumma khalaqna alnnutfata ʿalaqatan fakhalaqna alʿalaqata mudghatan fakhalaqna almudghata ʿithaman fakasawna alʿithama lahman thumma anshanahu khalqan akhara fatabaraka Allahu ahsanu alkhaliqeena

    Vervolgens vormden Wij de waterdruppel tot een klonter, daarna maakten Wij van de klonter een kleine vleesklomp, vervolgens maakten Wij uit die kleine vleesklomp beenderen, vervolgens bekleedden Wij die beenderen met vlees en dan brachten Wij het voort als een andere schepping. Gezegend dus is Allah, de beste der Scheppers.

  15. ثُمَّ إِنَّكُم بَعْدَ ذَٰلِكَ لَمَيِّتُونَ۝١٥

    Thumma innakum baʿda thalika lamayyitoona

    En hierna, zullen jullie zeker sterven.

  16. ثُمَّ إِنَّكُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَـٰمَةِ تُبْعَثُونَ۝١٦

    Thumma innakum yawma alqiyamati tubʿathoona

    Dan zeker zullen jullie op de Dag der Opstanding herrijzen.

  17. وَلَقَدْ خَلَقْنَا فَوْقَكُمْ سَبْعَ طَرَآئِقَ وَمَا كُنَّا عَنِ ٱلْخَلْقِ غَـٰفِلِينَ۝١٧

    Walaqad khalaqna fawqakum sabʿa taraiqa wama kunna ʿani alkhalqi ghafileena

    En voorwaar Wij hebben boven jullie zeven hemelen geschapen, en Wij zijn nooit onachtzaam tegenover de schepping (maar van alles alwetend).

  18. وَأَنزَلْنَا مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءًۢ بِقَدَرٍ فَأَسْكَنَّـٰهُ فِى ٱلْأَرْضِ ۖ وَإِنَّا عَلَىٰ ذَهَابٍۭ بِهِۦ لَقَـٰدِرُونَ۝١٨

    Waanzalna mina alssamai maan biqadarin faaskannahu fee alardi wainna ʿala thahabin bihi laqadiroona

    En Wij stuurden uit de hemel water neer in (afgeweten) hoeveelheid, en Wij gaven het een plaats op de aarde en waarlijk, Wij zijn in staat om het weg te nemen.

  19. فَأَنشَأْنَا لَكُم بِهِۦ جَنَّـٰتٍ مِّن نَّخِيلٍ وَأَعْنَـٰبٍ لَّكُمْ فِيهَا فَوَٰكِهُ كَثِيرَةٌ وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ۝١٩

    Faanshana lakum bihi jannatin min nakheelin waaʿnabin lakum feeha fawakihu katheeratun waminha takuloona

    Daarna brachten Wij voor jullie daarmee tuinen van dadelpalmen en druiven voort, waarin er veel fruit voor jullie is en waarvan jullie eten.

  20. وَشَجَرَةً تَخْرُجُ مِن طُورِ سَيْنَآءَ تَنۢبُتُ بِٱلدُّهْنِ وَصِبْغٍ لِّلْـَٔاكِلِينَ۝٢٠

    Washajaratan takhruju min toori saynaa tanbutu bialdduhni wasibghin lilakileena

    En een boom die voortkomt uit de Berg Sinai, waaruit olie voortkomt en (het is een) genoegen voor de eters.

  21. وَإِنَّ لَكُمْ فِى ٱلْأَنْعَـٰمِ لَعِبْرَةً ۖ نُّسْقِيكُم مِّمَّا فِى بُطُونِهَا وَلَكُمْ فِيهَا مَنَـٰفِعُ كَثِيرَةٌ وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ۝٢١

    Wainna lakum fee alanʿami laʿibratan nusqeekum mimma fee butooniha walakum feeha manafiʿu katheeratun waminha takuloona

    En waarlijk! In het vee is er zeker lering voor jullie. Wij geven jullie te drinken wat in hun buiken is, en daarin zijn vele voordelen voor jullie en daarvan eten jullie.

  22. وَعَلَيْهَا وَعَلَى ٱلْفُلْكِ تُحْمَلُونَ۝٢٢

    Waʿalayha waʿala alfulki tuhmaloona

    En op hen en op schepen worden jullie gedragen.

  23. وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِۦ فَقَالَ يَـٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَـٰهٍ غَيْرُهُۥٓ ۖ أَفَلَا تَتَّقُونَ۝٢٣

    Walaqad arsalna noohan ila qawmihi faqala ya qawmi oʿbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona

    En voorwaar Wij hebben Noeh naar zijn volk gestuurd en hij zei: “O mijn volk! Aanbid Allah! Jullie hebben geen andere God behalve Hem. Vrezen jullie dan niet?”

  24. فَقَالَ ٱلْمَلَؤُا۟ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن قَوْمِهِۦ مَا هَـٰذَآ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ يُرِيدُ أَن يَتَفَضَّلَ عَلَيْكُمْ وَلَوْ شَآءَ ٱللَّهُ لَأَنزَلَ مَلَـٰٓئِكَةً مَّا سَمِعْنَا بِهَـٰذَا فِىٓ ءَابَآئِنَا ٱلْأَوَّلِينَ۝٢٤

    Faqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi ma hatha illa basharun mithlukum yureedu an yatafaddala ʿalaykum walaw shaa Allahu laanzala malaikatan ma samiʿna bihatha fee abaina alawwaleena

    Maar de stamhoofden van degenen die onder zijn volk ongelovig waren, zeiden: “Hij is niet meer dan een mens zoals jullie, hij probeert zichzelf boven jullie te stellen. Als Allah het gewild had, dan had Hij beslist engelen neergezonden; nog nooit hebben wij zoiets gehoord van de vaders van de ouderen.

  25. إِنْ هُوَ إِلَّا رَجُلٌۢ بِهِۦ جِنَّةٌ فَتَرَبَّصُوا۟ بِهِۦ حَتَّىٰ حِينٍ۝٢٥

    In huwa illa rajulun bihi jinnatun fatarabbasoo bihi hatta heenin

    Hij is slechts een man die krankzinnig is, wacht dus een tijdje voor hem.”

  26. قَالَ رَبِّ ٱنصُرْنِى بِمَا كَذَّبُونِ۝٢٦

    Qala rabbi onsurnee bima kaththabooni

    (Noeh) zei: “O mijn Heer! Help mij vanwege wat zij mij verloochenen.”

  27. فَأَوْحَيْنَآ إِلَيْهِ أَنِ ٱصْنَعِ ٱلْفُلْكَ بِأَعْيُنِنَا وَوَحْيِنَا فَإِذَا جَآءَ أَمْرُنَا وَفَارَ ٱلتَّنُّورُ ۙ فَٱسْلُكْ فِيهَا مِن كُلٍّ زَوْجَيْنِ ٱثْنَيْنِ وَأَهْلَكَ إِلَّا مَن سَبَقَ عَلَيْهِ ٱلْقَوْلُ مِنْهُمْ ۖ وَلَا تُخَـٰطِبْنِى فِى ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓا۟ ۖ إِنَّهُم مُّغْرَقُونَ۝٢٧

    Faawhayna ilayhi ani isnaʿi alfulka biaʿyunina wawahyina faitha jaa amruna wafara alttannooru faosluk feeha min kullin zawjayni ithnayni waahlaka illa man sabaqa ʿalayhi alqawlu minhum wala tukhatibnee fee allatheena thalamoo innahum mughraqoona

    Dus openbaarden Wij hem (zeggende): “Bouw een schip onder Onze ogen en volgens Onze openbaring. Dan als Ons bevel komt, en de oven overloopt, neem dan aan boord van elk soort twee en jouw familie, behalve degenen waar het Woord al tegen is uitgevaardigd. En spreek Mij niet aan om gunsten te verlenen voor degenen die gezondigd hebben. Waarlijk zij zullen verdrinken.

  28. فَإِذَا ٱسْتَوَيْتَ أَنتَ وَمَن مَّعَكَ عَلَى ٱلْفُلْكِ فَقُلِ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى نَجَّىٰنَا مِنَ ٱلْقَوْمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝٢٨

    Faitha istawayta anta waman maʿaka ʿala alfulki faquli alhamdu lillahi allathee najjana mina alqawmi alththalimeena

    En als jullie ingescheept zijn, jij en iedereen die met jou is, zeg dan: “Alle lofbetuigingen en dank zijn voor Allah, Die ons van het volk dat onrechtvaardig is, gered heeft.”

  29. وَقُل رَّبِّ أَنزِلْنِى مُنزَلًا مُّبَارَكًا وَأَنتَ خَيْرُ ٱلْمُنزِلِينَ۝٢٩

    Waqul rabbi anzilnee munzalan mubarakan waanta khayru almunzileena

    En zeg: “Mijn Heer! Laat mij op een gezegende landingsplaats aankomen, want U bent de beste van degenen Die aan land brengen.”

  30. إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَـٰتٍ وَإِن كُنَّا لَمُبْتَلِينَ۝٣٠

    Inna fee thalika laayatin wain kunna lamubtaleena

    Waarlijk, hierin zijn er zeker tekenen voor mensen van begrip, want zeker Wij hebben (de mens) aan een beproeving onderworpen.

  31. ثُمَّ أَنشَأْنَا مِنۢ بَعْدِهِمْ قَرْنًا ءَاخَرِينَ۝٣١

    Thumma anshana min baʿdihim qarnan akhareena

    Vervolgens, na hen, hebben Wij een andere generatie geschapen.

  32. فَأَرْسَلْنَا فِيهِمْ رَسُولًا مِّنْهُمْ أَنِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَـٰهٍ غَيْرُهُۥٓ ۖ أَفَلَا تَتَّقُونَ۝٣٢

    Faarsalna feehim rasoolan minhum ani oʿbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona

    Toen Wij hebben een Boodschapper van onder hen zelf naar hen gestuurd (zeggende): “Aanbid Allah! Jullie hebben geen andere God dan Hij. Vrezen jullie dan niet?”

  33. وَقَالَ ٱلْمَلَأُ مِن قَوْمِهِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَكَذَّبُوا۟ بِلِقَآءِ ٱلْـَٔاخِرَةِ وَأَتْرَفْنَـٰهُمْ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا مَا هَـٰذَآ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ يَأْكُلُ مِمَّا تَأْكُلُونَ مِنْهُ وَيَشْرَبُ مِمَّا تَشْرَبُونَ۝٣٣

    Waqala almalao min qawmihi allatheena kafaroo wakaththaboo biliqai alakhirati waatrafnahum fee alhayati alddunya ma hatha illa basharun mithlukum yakulu mimma takuloona minhu wayashrabu mimma tashraboona

    En de stamhoofden van zijn volk, die ongelovig waren en de ontmoeting in het hiernamaals ontkenden en aan wie Wij de luxe en het gemak van dit leven hadden gegeven, zeiden: “Hij is niets meer dan een mens zoals jullie, hij eet wat jullie eten en drinkt wat jullie drinken.

  34. وَلَئِنْ أَطَعْتُم بَشَرًا مِّثْلَكُمْ إِنَّكُمْ إِذًا لَّخَـٰسِرُونَ۝٣٤

    Walain ataʿtum basharan mithlakum innakum ithan lakhasiroona

    Als jullie een mens moeten gehoorzamen zoals jullie zelf, dan waarlijk! Jullie zouden zeker verliezers zijn.

  35. أَيَعِدُكُمْ أَنَّكُمْ إِذَا مِتُّمْ وَكُنتُمْ تُرَابًا وَعِظَـٰمًا أَنَّكُم مُّخْرَجُونَ۝٣٥

    Ayaʿidukum annakum itha mittum wakuntum turaban waʿithaman annakum mukhrajoona

    Belooft hij jullie dat wanneer jullie gestorven zijn en tot stof en botten geworden zijn, jullie weer levend zullen worden?

  36. ۞ هَيْهَاتَ هَيْهَاتَ لِمَا تُوعَدُونَ۝٣٦

    Hayhata hayhata lima tooʿadoona

    Ver, heel ver is datgene wat jullie beloofd is.

  37. إِنْ هِىَ إِلَّا حَيَاتُنَا ٱلدُّنْيَا نَمُوتُ وَنَحْيَا وَمَا نَحْنُ بِمَبْعُوثِينَ۝٣٧

    In hiya illa hayatuna alddunya namootu wanahya wama nahnu bimabʿootheena

    Er is niets anders dan ons leven in deze wereld! Wij sterven en wij leven! En wij zullen niet herrijzen!

  38. إِنْ هُوَ إِلَّا رَجُلٌ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا وَمَا نَحْنُ لَهُۥ بِمُؤْمِنِينَ۝٣٨

    In huwa illa rajulun iftara ʿala Allahi kathiban wama nahnu lahu bimumineena

    Hij is slechts een man die een leugen over Allah bedacht heeft, wij zullen hem niet geloven.”

  39. قَالَ رَبِّ ٱنصُرْنِى بِمَا كَذَّبُونِ۝٣٩

    Qala rabbi onsurnee bima kaththabooni

    Hij Noeh zei: “O mijn Heer! Help mij vanwege dat wat zij verloochenen.”

  40. قَالَ عَمَّا قَلِيلٍ لَّيُصْبِحُنَّ نَـٰدِمِينَ۝٤٠

    Qala ʿamma qaleelin layusbihunna nadimeena

    (Allah) zei: “Over een poosje zullen zij zeker spijt hebben.”

  41. فَأَخَذَتْهُمُ ٱلصَّيْحَةُ بِٱلْحَقِّ فَجَعَلْنَـٰهُمْ غُثَآءً ۚ فَبُعْدًا لِّلْقَوْمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝٤١

    Faakhathathumu alssayhatu bialhaqqi fajaʿalnahum ghuthaan fabuʿdan lilqawmi alththalimeena

    Vervolgens kwam er een afschuwelijke schreeuw die hen overmande met rechtvaardigheid en Wij hebben hen als afval van dode planten gemaakt. Weg dus met het volk dat onrechtvaardig is.

  42. ثُمَّ أَنشَأْنَا مِنۢ بَعْدِهِمْ قُرُونًا ءَاخَرِينَ۝٤٢

    Thumma anshana min baʿdihim quroonan akhareena

    Vervolgens na hen, hebben Wij een andere generatie geschapen.

  43. مَا تَسْبِقُ مِنْ أُمَّةٍ أَجَلَهَا وَمَا يَسْتَـْٔخِرُونَ۝٤٣

    Ma tasbiqu min ommatin ajalaha wama yastakhiroona

    Geen volk kan de vastgestelde tijd overschrijden (om dood te gaan) noch kunnen zij het uitstellen.

  44. ثُمَّ أَرْسَلْنَا رُسُلَنَا تَتْرَا ۖ كُلَّ مَا جَآءَ أُمَّةً رَّسُولُهَا كَذَّبُوهُ ۚ فَأَتْبَعْنَا بَعْضَهُم بَعْضًا وَجَعَلْنَـٰهُمْ أَحَادِيثَ ۚ فَبُعْدًا لِّقَوْمٍ لَّا يُؤْمِنُونَ۝٤٤

    Thumma arsalna rusulana tatra kulla ma jaa ommatan rasooluha kaththaboohu faatbaʿna baʿdahum baʿdan wajaʿalnahum ahadeetha fabuʿdan liqawmin la yuminoona

    Vervolgens stuurden Wij in opeenvolging Onze boodschappers. Elke keer een boodschapper tot zijn volk kwam, werd hij ontkend. Daarom lieten Wij ze elkaar opvolgen (in hun vernietiging), en maakten We van hen ware (levens) verhalen. Weg dus met het ongelovige volk!

  45. ثُمَّ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ وَأَخَاهُ هَـٰرُونَ بِـَٔايَـٰتِنَا وَسُلْطَـٰنٍ مُّبِينٍ۝٤٥

    Thumma arsalna moosa waakhahu haroona biayatina wasultanin mubeenin

    Vervolgens stuurden Wij Moesa en zijn broeder Haaroen met Onze tekenen en een duidelijk gezag,

  46. إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَإِي۟هِۦ فَٱسْتَكْبَرُوا۟ وَكَانُوا۟ قَوْمًا عَالِينَ۝٤٦

    Ila firʿawna wamalaihi faistakbaroo wakanoo qawman ʿaleena

    Naar de Farao en zijn gezagdragers, maar zij gedroegen zich hoogmoedig en zij waren een aanmatigend volk.

  47. فَقَالُوٓا۟ أَنُؤْمِنُ لِبَشَرَيْنِ مِثْلِنَا وَقَوْمُهُمَا لَنَا عَـٰبِدُونَ۝٤٧

    Faqaloo anuminu libasharayni mithlina waqawmuhuma lana ʿabidoona

    Zij zeiden: “Zullen wij in twee mensen zoals onszelf geloven, en hun volk is ons gehoorzaam in nederigheid.”

  48. فَكَذَّبُوهُمَا فَكَانُوا۟ مِنَ ٱلْمُهْلَكِينَ۝٤٨

    Fakaththaboohuma fakanoo mina almuhlakeena

    Dus zij ontkenden hen beiden en werden degenen die vernietigd werden.

  49. وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَـٰبَ لَعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ۝٤٩

    Walaqad atayna moosa alkitaba laʿallahum yahtadoona

    En voorwaar Wij gaven Moesa het Boek dat zij geleid moge worden.

  50. وَجَعَلْنَا ٱبْنَ مَرْيَمَ وَأُمَّهُۥٓ ءَايَةً وَءَاوَيْنَـٰهُمَآ إِلَىٰ رَبْوَةٍ ذَاتِ قَرَارٍ وَمَعِينٍ۝٥٠

    Wajaʿalna ibna maryama waommahu ayatan waawaynahuma ila rabwatin thati qararin wamaʿeenin

    En Wij hebben de zoon van Maryam en zijn moeder als een teken gemaakt, en Wij gaven hen een toevluchtsoord op hoge gronden, een rustplaats, zekerheid en stromende rivieren.

  51. يَـٰٓأَيُّهَا ٱلرُّسُلُ كُلُوا۟ مِنَ ٱلطَّيِّبَـٰتِ وَٱعْمَلُوا۟ صَـٰلِحًا ۖ إِنِّى بِمَا تَعْمَلُونَ عَلِيمٌ۝٥١

    Ya ayyuha alrrusulu kuloo mina alttayyibati waiʿmaloo salihan innee bima taʿmaloona ʿaleemun

    O boodschapper!s! Eet van het wettige en goede voedsel, en verricht goede daden (zowel de verplichte als de vrijwillige). Waarlijk! Ik ben Alwetend over datgene wat jullie doen.

  52. وَإِنَّ هَـٰذِهِۦٓ أُمَّتُكُمْ أُمَّةً وَٰحِدَةً وَأَنَا۠ رَبُّكُمْ فَٱتَّقُونِ۝٥٢

    Wainna hathihi ommatukum ommatan wahidatan waana rabbukum faittaqooni

    En waarlijk! Dit is jullie godsdienst en is één godsdienst en Ik ben jullie Heer, vrees mij dus.

  53. فَتَقَطَّعُوٓا۟ أَمْرَهُم بَيْنَهُمْ زُبُرًا ۖ كُلُّ حِزْبٍۭ بِمَا لَدَيْهِمْ فَرِحُونَ۝٥٣

    Fataqattaʿoo amrahum baynahum zuburan kullu hizbin bima ladayhim farihoona

    Maar zij hebben hun godsdienst in sekten opgebroken, iedere groep verheugend in zijn geloof.

  54. فَذَرْهُمْ فِى غَمْرَتِهِمْ حَتَّىٰ حِينٍ۝٥٤

    Fatharhum fee ghamratihim hatta heenin

    Laat hen dus in dwaling verkeren tot een bepaalde moment.

  55. أَيَحْسَبُونَ أَنَّمَا نُمِدُّهُم بِهِۦ مِن مَّالٍ وَبَنِينَ۝٥٥

    Ayahsaboona annama numidduhum bihi min malin wabaneena

    Denken zij dat Wij hen in hun weelde en kinderen zullen vermeerderen,

  56. نُسَارِعُ لَهُمْ فِى ٱلْخَيْرَٰتِ ۚ بَل لَّا يَشْعُرُونَ۝٥٦

    Nusariʿu lahum fee alkhayrati bal la yashʿuroona

    Wij bespoedigen Ons tot hen met goede zaken. Nee, maar zij zien dat niet (omdat het hart ziek is of zelfs blind is).

  57. إِنَّ ٱلَّذِينَ هُم مِّنْ خَشْيَةِ رَبِّهِم مُّشْفِقُونَ۝٥٧

    Inna allatheena hum min khashyati rabbihim mushfiqoona

    Waarlijk! Degenen die in ontzag en vrees voor hun Heer leven;

  58. وَٱلَّذِينَ هُم بِـَٔايَـٰتِ رَبِّهِمْ يُؤْمِنُونَ۝٥٨

    Waallatheena hum biayati rabbihim yuminoona

    En degenen die in de tekenen van hun Heer geloven,

  59. وَٱلَّذِينَ هُم بِرَبِّهِمْ لَا يُشْرِكُونَ۝٥٩

    Waallatheena hum birabbihim la yushrikoona

    En degenen die geen deelgenoten aan hun Heer toekennen.

  60. وَٱلَّذِينَ يُؤْتُونَ مَآ ءَاتَوا۟ وَّقُلُوبُهُمْ وَجِلَةٌ أَنَّهُمْ إِلَىٰ رَبِّهِمْ رَٰجِعُونَ۝٦٠

    Waallatheena yutoona ma ataw waquloobuhum wajilatun annahum ila rabbihim rajiʿoona

    En degenen die dat geven wat zij geven terwijl hun harten vol vrees omdat zij er zeker van zijn dat zij tot hun Heer terugkeren (en daar gaat het om wat er gebeurd met het hart tijdens de aanbidding).

  61. أُو۟لَـٰٓئِكَ يُسَـٰرِعُونَ فِى ٱلْخَيْرَٰتِ وَهُمْ لَهَا سَـٰبِقُونَ۝٦١

    Olaika yusariʿoona fee alkhayrati wahum laha sabiqoona

    Zij zijn het die wedijveren om de goede daden en zij zijn er de eersten in.

  62. وَلَا نُكَلِّفُ نَفْسًا إِلَّا وُسْعَهَا ۖ وَلَدَيْنَا كِتَـٰبٌ يَنطِقُ بِٱلْحَقِّ ۚ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَ۝٦٢

    Wala nukallifu nafsan illa wusʿaha waladayna kitabun yantiqu bialhaqqi wahum la yuthlamoona

    En Wij belasten niemand behalve volgens zijn vermogen en met Ons is een boek (rapport) dat de waarheid spreekt en hun zal geen onrecht aangedaan worden.

  63. بَلْ قُلُوبُهُمْ فِى غَمْرَةٍ مِّنْ هَـٰذَا وَلَهُمْ أَعْمَـٰلٌ مِّن دُونِ ذَٰلِكَ هُمْ لَهَا عَـٰمِلُونَ۝٦٣

    Bal quloobuhum fee ghamratin min hatha walahum aʿmalun min dooni thalika hum laha ʿamiloona

    Nee, maar hun harten zijn bedekt om dit te kunnen begrijpen, en zij hebben andere daden naast wat zij doen.

  64. حَتَّىٰٓ إِذَآ أَخَذْنَا مُتْرَفِيهِم بِٱلْعَذَابِ إِذَا هُمْ يَجْـَٔرُونَ۝٦٤

    Hatta itha akhathna mutrafeehim bialʿathabi itha hum yajaroona

    Tot Wij degenen die een luxe leven leiden grijpen met bestraffing, toen riepen zijn om hulp.

  65. لَا تَجْـَٔرُوا۟ ٱلْيَوْمَ ۖ إِنَّكُم مِّنَّا لَا تُنصَرُونَ۝٦٥

    La tajaroo alyawma innakum minna la tunsaroona

    Roep deze dag niet luid aan! Zeker, jullie zullen door Ons niet geholpen worden.

  66. قَدْ كَانَتْ ءَايَـٰتِى تُتْلَىٰ عَلَيْكُمْ فَكُنتُمْ عَلَىٰٓ أَعْقَـٰبِكُمْ تَنكِصُونَ۝٦٦

    Qad kanat ayatee tutla ʿalaykum fakuntum ʿala aʿqabikum tankisoona

    Voorwaar, Mijn verzen worden voor jullie gereciteerd, maar jullie draaien je op je hielen terug.

  67. مُسْتَكْبِرِينَ بِهِۦ سَـٰمِرًا تَهْجُرُونَ۝٦٧

    Mustakbireena bihi samiran tahjuroona

    Trots spreken zij er’s nachts kwaad over.

  68. أَفَلَمْ يَدَّبَّرُوا۟ ٱلْقَوْلَ أَمْ جَآءَهُم مَّا لَمْ يَأْتِ ءَابَآءَهُمُ ٱلْأَوَّلِينَ۝٦٨

    Afalam yaddabbaroo alqawla am jaahum ma lam yati abaahumu alawwaleena

    Hebben zij niet over het Woord (van Allah) nagedacht of is er tot hen gekomen wat niet tot hun voorvaderen is gekomen?

  69. أَمْ لَمْ يَعْرِفُوا۟ رَسُولَهُمْ فَهُمْ لَهُۥ مُنكِرُونَ۝٦٩

    Am lam yaʿrifoo rasoolahum fahum lahu munkiroona

    Of is het dat zij hun Boodschapper niet herkennen zodat zij hem verloochenen?

  70. أَمْ يَقُولُونَ بِهِۦ جِنَّةٌۢ ۚ بَلْ جَآءَهُم بِٱلْحَقِّ وَأَكْثَرُهُمْ لِلْحَقِّ كَـٰرِهُونَ۝٧٠

    Am yaqooloona bihi jinnatun bal jaahum bialhaqqi waaktharuhum lilhaqqi karihoona

    Of zeggen dat: “Er krankzinnigheid in hem is?” Nee, maar hij heeft hun de waarheid gebracht maar de meesten van hen zijn afkerig van de waarheid.

  71. وَلَوِ ٱتَّبَعَ ٱلْحَقُّ أَهْوَآءَهُمْ لَفَسَدَتِ ٱلسَّمَـٰوَٰتُ وَٱلْأَرْضُ وَمَن فِيهِنَّ ۚ بَلْ أَتَيْنَـٰهُم بِذِكْرِهِمْ فَهُمْ عَن ذِكْرِهِم مُّعْرِضُونَ۝٧١

    Walawi ittabaʿa alhaqqu ahwaahum lafasadati alssamawatu waalardu waman feehinna bal ataynahum bithikrihim fahum ʿan thikrihim muʿridoona

    En als de waarheid in overeenstemming met hun lusten was, waarlijk, de hemelen en de aarde en alles wat zich daar in bevindt dan zou het verdorven raken! Nee, Wij hebben hun een vermaning gebracht, maar zij keren zich van de vermaning af.

  72. أَمْ تَسْـَٔلُهُمْ خَرْجًا فَخَرَاجُ رَبِّكَ خَيْرٌ ۖ وَهُوَ خَيْرُ ٱلرَّٰزِقِينَ۝٧٢

    Am tasaluhum kharjan fakharaju rabbika khayrun wahuwa khayru alrraziqeena

    Of is het zo dat jij hun om een vergoeding? Maar de beoning van jouw Heer is beter en Hij is de beste onder de voorzieners.

  73. وَإِنَّكَ لَتَدْعُوهُمْ إِلَىٰ صِرَٰطٍ مُّسْتَقِيمٍ۝٧٣

    Wainnaka latadʿoohum ila siratin mustaqeemin

    En zeker, jij roept hen op tot een recht pad.

  74. وَإِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْـَٔاخِرَةِ عَنِ ٱلصِّرَٰطِ لَنَـٰكِبُونَ۝٧٤

    Wainna allatheena la yuminoona bialakhirati ʿani alssirati lanakiboona

    En waarlijk degenen die niet in het hiernamaals geloven, dwalen zeker af van het pad.

  75. ۞ وَلَوْ رَحِمْنَـٰهُمْ وَكَشَفْنَا مَا بِهِم مِّن ضُرٍّ لَّلَجُّوا۟ فِى طُغْيَـٰنِهِمْ يَعْمَهُونَ۝٧٥

    Walaw rahimnahum wakashafna ma bihim min durrin lalajjoo fee tughyanihim yaʿmahoona

    En als Wij genade met hen zouden hebben en hun ellende die zij ondergaan van hen zouden verwijderen, toch zijn zij koppig en houden vast aan hun (tirannie) overtreding, lopen blind rond.

  76. وَلَقَدْ أَخَذْنَـٰهُم بِٱلْعَذَابِ فَمَا ٱسْتَكَانُوا۟ لِرَبِّهِمْ وَمَا يَتَضَرَّعُونَ۝٧٦

    Walaqad akhathnahum bialʿathabi fama istakanoo lirabbihim wama yatadarraʿoona

    En voorwaar, Wij grepen hen met bestraffing, maar zij stelden zichzelf niet nederig op voor hun Heer noch riepen zij (Allah) aan in onderwerping aan Hem.

  77. حَتَّىٰٓ إِذَا فَتَحْنَا عَلَيْهِم بَابًا ذَا عَذَابٍ شَدِيدٍ إِذَا هُمْ فِيهِ مُبْلِسُونَ۝٧٧

    Hatta itha fatahna ʿalayhim baban tha ʿathabin shadeedin itha hum feehi mublisoona

    Tot Wij een poort van zware bestraffing voor hen openden en zie! Zij worden in de vernietiging gestort met diepe spijt, berouw en wanhoop.

  78. وَهُوَ ٱلَّذِىٓ أَنشَأَ لَكُمُ ٱلسَّمْعَ وَٱلْأَبْصَـٰرَ وَٱلْأَفْـِٔدَةَ ۚ قَلِيلًا مَّا تَشْكُرُونَ۝٧٨

    Wahuwa allathee anshaa lakumu alssamʿa waalabsara waalafidata qaleelan ma tashkuroona

    Hij is het, Die voor jullie het gehoor, gezicht en het hart geschapen heeft. Jullie danken slechts weinig.

  79. وَهُوَ ٱلَّذِى ذَرَأَكُمْ فِى ٱلْأَرْضِ وَإِلَيْهِ تُحْشَرُونَ۝٧٩

    Wahuwa allathee tharaakum fee alardi wailayhi tuhsharoona

    En Hij is het Die jullie op aarde geschapen heeft en tot Hem zullen jullie verzameld worden.

  80. وَهُوَ ٱلَّذِى يُحْىِۦ وَيُمِيتُ وَلَهُ ٱخْتِلَـٰفُ ٱلَّيْلِ وَٱلنَّهَارِ ۚ أَفَلَا تَعْقِلُونَ۝٨٠

    Wahuwa allathee yuhyee wayumeetu walahu ikhtilafu allayli waalnnahari afala taʿqiloona

    En Hij is het Die het leven geeft en de dood veroorzaakt, en aan Hem is de afwisseling van de nacht en de dag. Zullen jullie het dan niet begrijpen?

  81. بَلْ قَالُوا۟ مِثْلَ مَا قَالَ ٱلْأَوَّلُونَ۝٨١

    Bal qaloo mithla ma qala alawwaloona

    Nee, maar zij zeggen hetzelfde als wat de mensen van vroeger zeiden.

  82. قَالُوٓا۟ أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَـٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ۝٨٢

    Qaloo aitha mitna wakunna turaban waʿithaman ainna lamabʿoothoona

    Zij zeiden: “Als wij dood zijn en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan echt herrezen worden?

  83. لَقَدْ وُعِدْنَا نَحْنُ وَءَابَآؤُنَا هَـٰذَا مِن قَبْلُ إِنْ هَـٰذَآ إِلَّآ أَسَـٰطِيرُ ٱلْأَوَّلِينَ۝٨٣

    Laqad wuʿidna nahnu waabaona hatha min qablu in hatha illa asateeru alawwaleena

    Waarlijk, dit is ons beloofd, ons en onze vaders voor (ons)! Dit zijn slechts de verhalen van de ouderen!”

  84. قُل لِّمَنِ ٱلْأَرْضُ وَمَن فِيهَآ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ۝٨٤

    Qul limani alardu waman feeha in kuntum taʿlamoona

    Zeg: “Aan wie behoort de aarde toe en wat zich daarin bevindt toe? Als jullie het maar weten!”

  85. سَيَقُولُونَ لِلَّهِ ۚ قُلْ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ۝٨٥

    Sayaqooloona lillahi qul afala tathakkaroona

    Zij zullen zeggen: “Het is van Allah!” Zeg: “Zullen jullie daar dan niet aan denken?”

  86. قُلْ مَن رَّبُّ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ ٱلسَّبْعِ وَرَبُّ ٱلْعَرْشِ ٱلْعَظِيمِ۝٨٦

    Qul man rabbu alssamawati alssabʿi warabbu alʿarshi alʿatheemi

    Zeg: “Wie is (de) Heer van de zeven hemelen en (de) Heer van de geweldige troon?”

  87. سَيَقُولُونَ لِلَّهِ ۚ قُلْ أَفَلَا تَتَّقُونَ۝٨٧

    Sayaqooloona lillahi qul afala tattaqoona

    Zij zullen zeggen: ”Allah.” Zeg: “Zullen jullie Allah dan niet vrezen?”

  88. قُلْ مَنۢ بِيَدِهِۦ مَلَكُوتُ كُلِّ شَىْءٍ وَهُوَ يُجِيرُ وَلَا يُجَارُ عَلَيْهِ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ۝٨٨

    Qul man biyadihi malakootu kulli shayin wahuwa yujeeru wala yujaru ʿalayhi in kuntum taʿlamoona

    Zeg: “In wiens handen is de heerschappij van alles. En Hij beschermt (alles) terwijl er tegen Hem geen beschermer is als jullie weten.”

  89. سَيَقُولُونَ لِلَّهِ ۚ قُلْ فَأَنَّىٰ تُسْحَرُونَ۝٨٩

    Sayaqooloona lillahi qul faanna tusharoona

    Zij zullen zeggen: “ (Alles behoort) aan Allah.” Zeg: “Hoe komt het dan dat jullie bedrogen zijn en je van de waarheid afkeren?”

  90. بَلْ أَتَيْنَـٰهُم بِٱلْحَقِّ وَإِنَّهُمْ لَكَـٰذِبُونَ۝٩٠

    Bal ataynahum bialhaqqi wainnahum lakathiboona

    Nee, maar Wij hebben hen de waarheid gebracht en waarlijk zij zijn leugenaars.

  91. مَا ٱتَّخَذَ ٱللَّهُ مِن وَلَدٍ وَمَا كَانَ مَعَهُۥ مِنْ إِلَـٰهٍ ۚ إِذًا لَّذَهَبَ كُلُّ إِلَـٰهٍۭ بِمَا خَلَقَ وَلَعَلَا بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ ۚ سُبْحَـٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ۝٩١

    Ma ittakhatha Allahu min waladin wama kana maʿahu min ilahin ithan lathahaba kullu ilahin bima khalaqa walaʿala baʿduhum ʿala baʿdin subhana Allahi ʿamma yasifoona

    Geen zoon heeft Allah genomen noch is er een andere god naast Hem; dan zou iedere god weggenomen hebben wat hij geschapen had en sommigen zouden geprobeerd hebben anderen te overwinnen! Verheerlijkt is Allah boven al wat zij Hem hebben toegekend!

  92. عَـٰلِمِ ٱلْغَيْبِ وَٱلشَّهَـٰدَةِ فَتَعَـٰلَىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَ۝٩٢

    ʿalimi alghaybi waalshshahadati fataʿala ʿamma yushrikoona

    Alwetende van het onwaarneembare en het waarneembare! Verheven is Hij over alles wat zij Hem als deelgenoten toegekend hebben!

  93. قُل رَّبِّ إِمَّا تُرِيَنِّى مَا يُوعَدُونَ۝٩٣

    Qul rabbi imma turiyannee ma yooʿadoona

    Zeg: “Mijn Heer! Als U mij laat zien waarmee zij bedreigd worden, -

  94. رَبِّ فَلَا تَجْعَلْنِى فِى ٱلْقَوْمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝٩٤

    Rabbi fala tajʿalnee fee alqawmi alththalimeena

    Mijn Heer! (Red mij) dan en plaats mij niet tussen de mensen die onrechtvaardig zijn."

  95. وَإِنَّا عَلَىٰٓ أَن نُّرِيَكَ مَا نَعِدُهُمْ لَقَـٰدِرُونَ۝٩٥

    Wainna ʿala an nuriyaka ma naʿiduhum laqadiroona

    En voorwaar, Wij zijn in staat om jou te laten zien waarmee Wij hen bedreigd hebben.

  96. ٱدْفَعْ بِٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ ٱلسَّيِّئَةَ ۚ نَحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَصِفُونَ۝٩٦

    Idfaʿ biallatee hiya ahsanu alssayyiata nahnu aʿlamu bima yasifoona

    Weer het kwaad af met dat wat beter is. Wij weten het best wat zijn toeschrijven.

  97. وَقُل رَّبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنْ هَمَزَٰتِ ٱلشَّيَـٰطِينِ۝٩٧

    Waqul rabbi aʿoothu bika min hamazati alshshayateeni

    En zeg: “Mijn Heer, ik zoek mijn toevlucht bij U tegen de influisteringen van de duivels.

  98. وَأَعُوذُ بِكَ رَبِّ أَن يَحْضُرُونِ۝٩٨

    Waaʿoothu bika rabbi an yahdurooni

    En ik zoek toevlucht bij U, mijn Heer! Opdat zij mij niet (met hun slechtheden) zullen naderen (tijdens mijn handelingen).”

  99. حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَهُمُ ٱلْمَوْتُ قَالَ رَبِّ ٱرْجِعُونِ۝٩٩

    Hatta itha jaa ahadahumu almawtu qala rabbi irjiʿooni

    Maar wanneer de dood tot één van hen komt, zegt hij: “Mijn Heer! Laat mij terugkeren1.

    Voetnoten
    [1]Ieder heeft als enige wens om terug te keren naar de wereld om goede daden te doen, de Profeet te volgen, laten wij dat dan nu al doen zodat we het graf ingaan met een goede voorbereiding.
  100. لَعَلِّىٓ أَعْمَلُ صَـٰلِحًا فِيمَا تَرَكْتُ ۚ كَلَّآ ۚ إِنَّهَا كَلِمَةٌ هُوَ قَآئِلُهَا ۖ وَمِن وَرَآئِهِم بَرْزَخٌ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ۝١٠٠

    Laʿallee aʿmalu salihan feema taraktu kalla innaha kalimatun huwa qailuha wamin waraihim barzakhun ila yawmi yubʿathoona

    Zodat ik goede daden (denk aan kennis op doen over het geloof, vervolgens erna handelen met hart en ledematen, tauwbah, ect) kan doen in datgene wat ik heb achtergelaten!” Nee! Het is slechts een woord dat hij spreekt, en achter hem een barrière tot de Dag dat zij zullen herrijzen.

  101. فَإِذَا نُفِخَ فِى ٱلصُّورِ فَلَآ أَنسَابَ بَيْنَهُمْ يَوْمَئِذٍ وَلَا يَتَسَآءَلُونَ۝١٠١

    Faitha nufikha fee alssoori fala ansaba baynahum yawmaithin wala yatasaaloona

    Dan, als de bazuin geblazen wordt, zal er geen verwantschap meer zijn onder hen op die Dag noch zullen zij elkander vragen.

  102. فَمَن ثَقُلَتْ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْمُفْلِحُونَ۝١٠٢

    Faman thaqulat mawazeenuhu faolaika humu almuflihoona

    Degenen wiens weegschalen zwaar zijn (alles waar Allah van houdt zowel door daden met het hart en de ledenmaten) zij zijn de geslaagden.

  103. وَمَنْ خَفَّتْ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُو۟لَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ فِى جَهَنَّمَ خَـٰلِدُونَ۝١٠٣

    Waman khaffat mawazeenuhu faolaika allatheena khasiroo anfusahum fee jahannama khalidoona

    En zij wiens weegschalen licht zijn, zij zijn degenen die zichzelf verloren hebben, in de hel zullen zij verblijven.

  104. تَلْفَحُ وُجُوهَهُمُ ٱلنَّارُ وَهُمْ فِيهَا كَـٰلِحُونَ۝١٠٤

    Talfahu wujoohahumu alnnaru wahum feeha kalihoona

    Het vuur zal hun gezichten verbranden en daarin zullen zij betrokken gezichten hebben (bescherm daarom jouw gezicht van zonden, want zo bescherm je jouw gezicht.)

  105. أَلَمْ تَكُنْ ءَايَـٰتِى تُتْلَىٰ عَلَيْكُمْ فَكُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ۝١٠٥

    Alam takun ayatee tutla ʿalaykum fakuntum biha tukaththiboona

    Werden niet Mijn verzen aan jullie gereciteerd, en hebben jullie die niet verloochend?

  106. قَالُوا۟ رَبَّنَا غَلَبَتْ عَلَيْنَا شِقْوَتُنَا وَكُنَّا قَوْمًا ضَآلِّينَ۝١٠٦

    Qaloo rabbana ghalabat ʿalayna shiqwatuna wakunna qawman dalleena

    Zij zullen zeggen: “Onze Heer! Onze slechtheid (van onze nafs) heeft ons overwonnen en wij waren een dwalend volk.

  107. رَبَّنَآ أَخْرِجْنَا مِنْهَا فَإِنْ عُدْنَا فَإِنَّا ظَـٰلِمُونَ۝١٠٧

    Rabbana akhrijna minha fain ʿudna fainna thalimoona

    Onze Heer! haal ons hier uit; als wij dan ooit weer naar het slechte terugkeren, dan zijn wij zeker onrechtvaardigen.” (zoals zij ook onzin spraken tijdens hun leven, doen ze dat ook in de hel).

  108. قَالَ ٱخْسَـُٔوا۟ فِيهَا وَلَا تُكَلِّمُونِ۝١٠٨

    Qala ikhsaoo feeha wala tukallimooni

    Allah zal zeggen: "Verblijf daarin, en spreek niet tot Mij!”

  109. إِنَّهُۥ كَانَ فَرِيقٌ مِّنْ عِبَادِى يَقُولُونَ رَبَّنَآ ءَامَنَّا فَٱغْفِرْ لَنَا وَٱرْحَمْنَا وَأَنتَ خَيْرُ ٱلرَّٰحِمِينَ۝١٠٩

    Innahu kana fareequn min ʿibadee yaqooloona rabbana amanna faighfir lana wairhamna waanta khayru alrrahimeena

    Waarlijk! Er was een deel van Mijn dienaren die plachten te zeggen: “Onze Heer! Wij geloven, vergeef ons en wees ons genadig met ons, want U bent de Beste onder de barmhartigen”

  110. فَٱتَّخَذْتُمُوهُمْ سِخْرِيًّا حَتَّىٰٓ أَنسَوْكُمْ ذِكْرِى وَكُنتُم مِّنْهُمْ تَضْحَكُونَ۝١١٠

    Faittakhathtumoohum sikhriyyan hatta ansawkum thikree wakuntum minhum tadhakoona

    Maar jullie hielden hen voor de gek, en wel zo veel dat jullie Mij vergaten te gedenken (denk aan de plichten, en het vallen in zonden zonder berouw te tonen) terwijl jullie om hen lachten!

  111. إِنِّى جَزَيْتُهُمُ ٱلْيَوْمَ بِمَا صَبَرُوٓا۟ أَنَّهُمْ هُمُ ٱلْفَآئِزُونَ۝١١١

    Innee jazaytuhumu alyawma bima sabaroo annahum humu alfaizoona

    Waarlijk! Deze Dag heb Ik hen voor hen geduld beloond, zij zijn zeker degenen die geslaagd zijn.

  112. قَـٰلَ كَمْ لَبِثْتُمْ فِى ٱلْأَرْضِ عَدَدَ سِنِينَ۝١١٢

    Qala kam labithtum fee alardi ʿadada sineena

    Allah zal zeggen: “Hoeveel jaren brachten jullie door op aarde"1?

    Voetnoten
    [1]Waarvan sommige op aarde en andere in jullie graven.
  113. قَالُوا۟ لَبِثْنَا يَوْمًا أَوْ بَعْضَ يَوْمٍ فَسْـَٔلِ ٱلْعَآدِّينَ۝١١٣

    Qaloo labithna yawman aw baʿda yawmin faisali alʿaddeena

    (Vertwijfeld) zullen zij zeggen: “Wij verbleven (daar) een dag... Of was het een gedeelte van de dag? Vraag het aan (de engelen) die (onze daden tot in het kleinste detail) bijhielden.”

  114. قَـٰلَ إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا قَلِيلًا ۖ لَّوْ أَنَّكُمْ كُنتُمْ تَعْلَمُونَ۝١١٤

    Qala in labithtum illa qaleelan law annakum kuntum taʿlamoona

    (Allah zal zeggen): “(In verhouding tot jullie verblijf in de hel) was jullie verblijf (op en in de aarde) maar van korte duur. Hadden jullie dat maar geweten!”

  115. أَفَحَسِبْتُمْ أَنَّمَا خَلَقْنَـٰكُمْ عَبَثًا وَأَنَّكُمْ إِلَيْنَا لَا تُرْجَعُونَ۝١١٥

    Afahasibtum annama khalaqnakum ʿabathan waannakum ilayna la turjaʿoona

    Denken jullie (nou echt) dat Wij jullie (zomaar) hebben geschapen zodat (jullie jezelf in onachtzaamheid) kunnen vermaken, zonder dat jullie niet tot ons zullen terugkeren?”

  116. فَتَعَـٰلَى ٱللَّهُ ٱلْمَلِكُ ٱلْحَقُّ ۖ لَآ إِلَـٰهَ إِلَّا هُوَ رَبُّ ٱلْعَرْشِ ٱلْكَرِيمِ۝١١٦

    Fataʿala Allahu almaliku alhaqqu la ilaha illa huwa rabbu alʿarshi alkareemi

    Verheven is Allah (boven deze misvatting), de ware koning. Geen heeft het recht om aanbeden te worden behalve Hij, de Heer van de verheven troon!

  117. وَمَن يَدْعُ مَعَ ٱللَّهِ إِلَـٰهًا ءَاخَرَ لَا بُرْهَـٰنَ لَهُۥ بِهِۦ فَإِنَّمَا حِسَابُهُۥ عِندَ رَبِّهِۦٓ ۚ إِنَّهُۥ لَا يُفْلِحُ ٱلْكَـٰفِرُونَ۝١١٧

    Waman yadʿu maʿa Allahi ilahan akhara la burhana lahu bihi fainnama hisabuhu ʿinda rabbihi innahu la yuflihu alkafiroona

    En ieder die een andere god naast Allah aanroept waarvan hij geen bewijs heeft, zijn afrekening is slechts bij zijn Heer. Zeker! De ongelovigen zullen niet slagen.

  118. وَقُل رَّبِّ ٱغْفِرْ وَٱرْحَمْ وَأَنتَ خَيْرُ ٱلرَّٰحِمِينَ۝١١٨

    Waqul rabbi ighfir wairham waanta khayru alrrahimeena

    En zeg: “Mijn Heer! Vergeef en heb genade, want U bent de beste die genade toont!”

Veelgestelde vragen

Wat betekent de naam van soera Al-Muminun?

Al-Muminun betekent ‘De gelovigen’.

In welke juz staat soera Al-Muminun?

Soera Al-Muminun staat in juz 18.

Hoeveel verzen heeft soera Al-Muminun?

Soera Al-Muminun telt 118 verzen.

Is soera Al-Muminun Mekkaans of Medinaans?

Soera Al-Muminun is een Mekkaanse soera.

Welk nummer heeft soera Al-Muminun?

Al-Muminun is de 23e soera van de Koran.

Bronnen

  • Arabic text: Tanzil Quran Text (Uthmani) (Tanzil Project, CC BY 3.0), reproduced without changes.
  • Translation: Dutch Islamic Center, from QuranEnc.com, version 2.0.10, reproduced without changes.
  • Transliteration: Tanzil.net English transliteration.
  • Recitation: Mishary Rashid Alafasy, via QuranicAudio.com and EveryAyah.com.
  • Word by word: recordings and meanings from Quran.com (Quran Foundation), played when you tap a word.
  • Madinah and IndoPak fonts (Settings): the text in those scripts and their fonts come from the Quran Foundation (Quran.com); the Madinah font is the King Fahd Glorious Quran Printing Complex's Uthmanic Hafs font.

Found a mistake? Report a mistake and we will check it against the source.

Leesinstellingen

Koranlettertype
Lettergrootte Arabisch
100%
Lettergrootte vertaling
100%
Thema

Zet op beginscherm

ReadSurahOpen ReadSurah schermvullend vanaf je startscherm. Soera’s die je al hebt gelezen, openen ook zonder internet.

  1. Tik in Safari op de deelknop. Op nieuwere iPhones staat die in het •••-menu.
  2. Tik op ‘Zet op beginscherm’. Scrol omlaag als je het niet ziet.
  3. Tik op ‘Voeg toe’.