سورة القصص

Soera Al-Qasas in het Nederlands

De verhalen

Mushaf

Mishary Rashid AlafasyMP3 downloadenPDF downloaden

Soera Al-Qasas (القصص) is de 28e soera van de Koran en telt 88 verzen. De naam betekent ‘De verhalen’. Het is een Mekkaanse soera, geopenbaard in Mekka vóór de Hidjra, en ze staat in juz 20.

Op deze pagina lees je soera Al-Qasas volledig in het Arabisch, vers voor vers met de Nederlandse vertaling van het Dutch Islamic Center en de transliteratie, en kun je naar de recitatie luisteren.

Soera Al-Qasas volledig: Arabisch, Nederlandse vertaling en transliteratie

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَـٰنِ ٱلرَّحِيمِ

  1. طسٓمٓ۝١

    Taseenmeem

    Ta, Sien, Miem.1

    Voetnoten
    [1] Bekijk de voetnoten van vers 1 van Soera Al-Baqarah.
  2. تِلْكَ ءَايَـٰتُ ٱلْكِتَـٰبِ ٱلْمُبِينِ۝٢

    Tilka ayatu alkitabi almubeeni

    Dit zijn verzen van een duidelijk Boek.

  3. نَتْلُوا۟ عَلَيْكَ مِن نَّبَإِ مُوسَىٰ وَفِرْعَوْنَ بِٱلْحَقِّ لِقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ۝٣

    Natloo ʿalayka min nabai moosa wafirʿawna bialhaqqi liqawmin yuminoona

    Wij reciteren aan jou in waarheid wat van het nieuws van Moesa en Farao, voor een volk dat gelooft.

  4. إِنَّ فِرْعَوْنَ عَلَا فِى ٱلْأَرْضِ وَجَعَلَ أَهْلَهَا شِيَعًا يَسْتَضْعِفُ طَآئِفَةً مِّنْهُمْ يُذَبِّحُ أَبْنَآءَهُمْ وَيَسْتَحْىِۦ نِسَآءَهُمْ ۚ إِنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلْمُفْسِدِينَ۝٤

    Inna firʿawna ʿala fee alardi wajaʿala ahlaha shiyaʿan yastadʿifu taifatan minhum yuthabbihu abnaahum wayastahyee nisaahum innahu kana mina almufsideena

    Waarlijk, Farao verhief zichzelf in het land en maakte zijn mensen tot sekten, Verzwakte een groep onder hen, hun zonen dodend, en hij liet hun vrouwen leven. Waarlijk, hij behoorde tot de verderfzaaiers.

  5. وَنُرِيدُ أَن نَّمُنَّ عَلَى ٱلَّذِينَ ٱسْتُضْعِفُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ وَنَجْعَلَهُمْ أَئِمَّةً وَنَجْعَلَهُمُ ٱلْوَٰرِثِينَ۝٥

    Wanureedu an namunna ʿala allatheena istudʿifoo fee alardi wanajʿalahum aimmatan wanajʿalahumu alwaritheena

    En Wij wensten een gunst te geven aan degenen die zwak in het land waren, en hen tot heersers en hen tot erfgenamen te maken.

  6. وَنُمَكِّنَ لَهُمْ فِى ٱلْأَرْضِ وَنُرِىَ فِرْعَوْنَ وَهَـٰمَـٰنَ وَجُنُودَهُمَا مِنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَحْذَرُونَ۝٦

    Wanumakkina lahum fee alardi wanuriya firʿawna wahamana wajunoodahuma minhum ma kanoo yahtharoona

    En hen op aarde te vestigen en Wij lieten Farao en Haman en hun leger van hen krijgen waarvoor zij bang waren.

  7. وَأَوْحَيْنَآ إِلَىٰٓ أُمِّ مُوسَىٰٓ أَنْ أَرْضِعِيهِ ۖ فَإِذَا خِفْتِ عَلَيْهِ فَأَلْقِيهِ فِى ٱلْيَمِّ وَلَا تَخَافِى وَلَا تَحْزَنِىٓ ۖ إِنَّا رَآدُّوهُ إِلَيْكِ وَجَاعِلُوهُ مِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ۝٧

    Waawhayna ila ommi moosa an ardiʿeehi faitha khifti ʿalayhi faalqeehi fee alyammi wala takhafee wala tahzanee inna raddoohu ilayki wajaʿiloohu mina almursaleena

    En Wij openbaarden aan de moeder van Moesa (door haar te inspireren), “Zoog hem (Moesa), maar als je voor hem vreest, werp hem dan in de rivier en vrees niet, noch wees bedroefd. Waarlijk! Wij zullen hem naar jou terugbrengen en zullen hem tot één van (Onze) boodschappers maken.”

  8. فَٱلْتَقَطَهُۥٓ ءَالُ فِرْعَوْنَ لِيَكُونَ لَهُمْ عَدُوًّا وَحَزَنًا ۗ إِنَّ فِرْعَوْنَ وَهَـٰمَـٰنَ وَجُنُودَهُمَا كَانُوا۟ خَـٰطِـِٔينَ۝٨

    Failtaqatahu alu firʿawna liyakoona lahum ʿaduwwan wahazanan inna firʿawna wahamana wajunoodahuma kanoo khatieena

    Toen pikte de huishouding van Farao hem op, dat hij voor hen een vijand moge worden en hen verdriet moge bezorgen. Waarlijk! Farao, Haman en hun legers waren zondaren.

  9. وَقَالَتِ ٱمْرَأَتُ فِرْعَوْنَ قُرَّتُ عَيْنٍ لِّى وَلَكَ ۖ لَا تَقْتُلُوهُ عَسَىٰٓ أَن يَنفَعَنَآ أَوْ نَتَّخِذَهُۥ وَلَدًا وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ۝٩

    Waqalati imraatu firʿawna qurratu ʿaynin lee walaka la taqtuloohu ʿasa an yanfaʿana aw nattakhithahu waladan wahum la yashʿuroona

    En de vrouw van Farao zei: “Een genot voor het oog van mij en van jou. Dood hem niet, misschien zal hij ons nog tot nut zijn, of kunnen wij hem als een zoon adopteren.” En zij voorzagen niet.

  10. وَأَصْبَحَ فُؤَادُ أُمِّ مُوسَىٰ فَـٰرِغًا ۖ إِن كَادَتْ لَتُبْدِى بِهِۦ لَوْلَآ أَن رَّبَطْنَا عَلَىٰ قَلْبِهَا لِتَكُونَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ۝١٠

    Waasbaha fuadu ommi moosa farighan in kadat latubdee bihi lawla an rabatna ʿala qalbiha litakoona mina almumineena

    En het hart van de moeder van Moesa werd leeg. Zij was de onthulling daarvan nabij, hadden Wij haar hart niet versterkt zodat zij één van de gelovigen bleef.

  11. وَقَالَتْ لِأُخْتِهِۦ قُصِّيهِ ۖ فَبَصُرَتْ بِهِۦ عَن جُنُبٍ وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ۝١١

    Waqalat liokhtihi qusseehi fabasurat bihi ʿan junubin wahum la yashʿuroona

    En zij zei tegen zijn zus: “Volg hem.” Dus keek zij van een verre plaats in het geheim toe, terwijl zij dat niet voorzagen.

  12. ۞ وَحَرَّمْنَا عَلَيْهِ ٱلْمَرَاضِعَ مِن قَبْلُ فَقَالَتْ هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَىٰٓ أَهْلِ بَيْتٍ يَكْفُلُونَهُۥ لَكُمْ وَهُمْ لَهُۥ نَـٰصِحُونَ۝١٢

    Waharramna ʿalayhi almaradiʿa min qablu faqalat hal adullukum ʿala ahli baytin yakfuloonahu lakum wahum lahu nasihoona

    En Wij hadden al minnen voor hem verboden, tot zij zei: “Zal ik u een huishouden wijzen die hem voor u zal opvoeden en trouw voor hem zal zorgen op de goede manier?”

  13. فَرَدَدْنَـٰهُ إِلَىٰٓ أُمِّهِۦ كَىْ تَقَرَّ عَيْنُهَا وَلَا تَحْزَنَ وَلِتَعْلَمَ أَنَّ وَعْدَ ٱللَّهِ حَقٌّ وَلَـٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ۝١٣

    Faradadnahu ila ommihi kay taqarra ʿaynuha wala tahzana walitaʿlama anna waʿda Allahi haqqun walakinna aktharahum la yaʿlamoona

    Zo brachten Wij hem weer bij zijn moeder, dat zij verheugd moge zijn, en dat zij niet zal treuren, en dat zij moge weten dat de belofte van Allah waar is. Maar de meesten van hen weten niet.

  14. وَلَمَّا بَلَغَ أَشُدَّهُۥ وَٱسْتَوَىٰٓ ءَاتَيْنَـٰهُ حُكْمًا وَعِلْمًا ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ۝١٤

    Walamma balagha ashuddahu waistawa ataynahu hukman waʿilman wakathalika najzee almuhsineena

    En toen hij (Moesa) zijn volle kracht had bereikt en volgroeid was, gaven Wij hem wijsheid en kennis. En zo belonen Wij de weldoeners1.

    Voetnoten
    [1]Dus loop stevig achter de Profeet vrede zij met hem aan, want dan ben je een weldoener en dan zal Allah sht jou blijven leiden.
  15. وَدَخَلَ ٱلْمَدِينَةَ عَلَىٰ حِينِ غَفْلَةٍ مِّنْ أَهْلِهَا فَوَجَدَ فِيهَا رَجُلَيْنِ يَقْتَتِلَانِ هَـٰذَا مِن شِيعَتِهِۦ وَهَـٰذَا مِنْ عَدُوِّهِۦ ۖ فَٱسْتَغَـٰثَهُ ٱلَّذِى مِن شِيعَتِهِۦ عَلَى ٱلَّذِى مِنْ عَدُوِّهِۦ فَوَكَزَهُۥ مُوسَىٰ فَقَضَىٰ عَلَيْهِ ۖ قَالَ هَـٰذَا مِنْ عَمَلِ ٱلشَّيْطَـٰنِ ۖ إِنَّهُۥ عَدُوٌّ مُّضِلٌّ مُّبِينٌ۝١٥

    Wadakhala almadeenata ʿala heeni ghaflatin min ahliha fawajada feeha rajulayni yaqtatilani hatha min sheeʿatihi wahatha min ʿaduwwihi faistaghathahu allathee min sheeʿatihi ʿala allathee min ʿaduwwihi fawakazahu moosa faqada ʿalayhi qala hatha min ʿamali alshshaytani innahu ʿaduwwun mudillun mubeenun

    En hij trad de stad binnen op een tijd dat zijn volk nog niet bewust was en hij kwam twee mannen tegen die vochten, één van zijn groep en de andere van zijn vijand. De man van zijn groep vroeg hem om hulp tegen de vijand, dus sloeg Moesa hem met zijn vuist en doodde hem (dat was niet opzettelijk bedoeld). Hij zei: “Dit is een daad van Shaytaan, waarlijk hij is een duidelijke misleidende vijand.”

  16. قَالَ رَبِّ إِنِّى ظَلَمْتُ نَفْسِى فَٱغْفِرْ لِى فَغَفَرَ لَهُۥٓ ۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ۝١٦

    Qala rabbi innee thalamtu nafsee faighfir lee faghafara lahu innahu huwa alghafooru alrraheemu

    Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan, vergeef mij dus. Toen vergaf Hij het hem. Waarlijk, Hij is de meest Vergevende, de Genadevolle1.

    Voetnoten
    [1]En zo eenvoudig is het goed maken met Allah dus, berouw tonen, diepe spijt uit het hart hebben, stoppen met de zonde en de intentie hebben om het nooit meer te doen en de zonde laten volgen door een goede daad en standvastig blijven, dus als je valt sta dan gelijk weer op.
  17. قَالَ رَبِّ بِمَآ أَنْعَمْتَ عَلَىَّ فَلَنْ أَكُونَ ظَهِيرًا لِّلْمُجْرِمِينَ۝١٧

    Qala rabbi bima anʿamta ʿalayya falan akoona thaheeran lilmujrimeena

    Hij zei: “Mijn Heer! Voor de gunsten die u mij heeft verleend, zal ik nooit een helper van de misdadigers zijn.”

  18. فَأَصْبَحَ فِى ٱلْمَدِينَةِ خَآئِفًا يَتَرَقَّبُ فَإِذَا ٱلَّذِى ٱسْتَنصَرَهُۥ بِٱلْأَمْسِ يَسْتَصْرِخُهُۥ ۚ قَالَ لَهُۥ مُوسَىٰٓ إِنَّكَ لَغَوِىٌّ مُّبِينٌ۝١٨

    Faasbaha fee almadeenati khaifan yataraqqabu faitha allathee istansarahu bialamsi yastasrikhuhu qala lahu moosa innaka laghawiyyun mubeenun

    (Na het incident) werd hij bang, keek rond in de stad, toen kwam de man die de vorige dag zijn hulp had gevraagd hem (opnieuw) om hulp vroeg. Moesa zei tegen hem: “Waarlijk, jij bent een duidelijke misleider!”

  19. فَلَمَّآ أَنْ أَرَادَ أَن يَبْطِشَ بِٱلَّذِى هُوَ عَدُوٌّ لَّهُمَا قَالَ يَـٰمُوسَىٰٓ أَتُرِيدُ أَن تَقْتُلَنِى كَمَا قَتَلْتَ نَفْسًۢا بِٱلْأَمْسِ ۖ إِن تُرِيدُ إِلَّآ أَن تَكُونَ جَبَّارًا فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا تُرِيدُ أَن تَكُونَ مِنَ ٱلْمُصْلِحِينَ۝١٩

    Falamma an arada an yabtisha biallathee huwa ʿaduwwun lahuma qala ya moosa atureedu an taqtulanee kama qatalta nafsan bialamsi in tureedu illa an takoona jabbaran fee alardi wama tureedu an takoona mina almusliheena

    Toen hij besloot om de man die een vijand voor hen beiden was te grijpen, zei de man: “O Moesa! Is het jouw bedoeling om mij te doden zoals je gisteren ook een man gedood hebt? Je doel is niets anders dan een tiran in het land te worden en niet één te zijn die het goede doet.”

  20. وَجَآءَ رَجُلٌ مِّنْ أَقْصَا ٱلْمَدِينَةِ يَسْعَىٰ قَالَ يَـٰمُوسَىٰٓ إِنَّ ٱلْمَلَأَ يَأْتَمِرُونَ بِكَ لِيَقْتُلُوكَ فَٱخْرُجْ إِنِّى لَكَ مِنَ ٱلنَّـٰصِحِينَ۝٢٠

    Wajaa rajulun min aqsa almadeenati yasʿa qala ya moosa inna almalaa yatamiroona bika liyaqtulooka faokhruj innee laka mina alnnasiheena

    En er kwam een man aanrennen uit de verste hoek van de stad. Hij zei: “O Moesa! Waarlijk, de leiders beraadslagen over jou om je te doden, ontsnap dus. Waarlijk, ik ben één van degenen die jou een oprecht advies geven.”

  21. فَخَرَجَ مِنْهَا خَآئِفًا يَتَرَقَّبُ ۖ قَالَ رَبِّ نَجِّنِى مِنَ ٱلْقَوْمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝٢١

    Fakharaja minha khaifan yataraqqabu qala rabbi najjinee mina alqawmi alththalimeena

    Dus vertrok hij daar vandaan, in een angstige toestand rondkijkend. Hij zei: “Mijn Heer! Red mij van het volk dat onrechtvaardig is!”

  22. وَلَمَّا تَوَجَّهَ تِلْقَآءَ مَدْيَنَ قَالَ عَسَىٰ رَبِّىٓ أَن يَهْدِيَنِى سَوَآءَ ٱلسَّبِيلِ۝٢٢

    Walamma tawajjaha tilqaa madyana qala ʿasa rabbee an yahdiyanee sawaa alssabeeli

    En toen hij naar (de stad) Median kwam, zei hij: “Wellicht zal mijn Heer mij op de rechte weg leiden” (de moslim gaat altijd uit van het positieve bij Allah (Husn dhan)).

  23. وَلَمَّا وَرَدَ مَآءَ مَدْيَنَ وَجَدَ عَلَيْهِ أُمَّةً مِّنَ ٱلنَّاسِ يَسْقُونَ وَوَجَدَ مِن دُونِهِمُ ٱمْرَأَتَيْنِ تَذُودَانِ ۖ قَالَ مَا خَطْبُكُمَا ۖ قَالَتَا لَا نَسْقِى حَتَّىٰ يُصْدِرَ ٱلرِّعَآءُ ۖ وَأَبُونَا شَيْخٌ كَبِيرٌ۝٢٣

    Walamma warada maa madyana wajada ʿalayhi ommatan mina alnnasi yasqoona wawajada min doonihimu imraatayni tathoodani qala ma khatbukuma qalata la nasqee hatta yusdira alrriʿao waaboona shaykhun kabeerun

    En toen hij bij het water van Median aankwam, zag hij daar een groep mannen die (hun kudde) drinken gaf, en naast hen vond hij twee vrouwen die (hun kudde) tegenhielden. Hij zei: “Wat scheelt jullie?” Zij zeiden: “Wij kunnen (onze kudde) niet laten drinken tot de schaapherders (hun kudde) meenemen. En onze vader is een erg oude man.”

  24. فَسَقَىٰ لَهُمَا ثُمَّ تَوَلَّىٰٓ إِلَى ٱلظِّلِّ فَقَالَ رَبِّ إِنِّى لِمَآ أَنزَلْتَ إِلَىَّ مِنْ خَيْرٍ فَقِيرٌ۝٢٤

    Fasaqa lahuma thumma tawalla ila alththilli faqala rabbi innee lima anzalta ilayya min khayrin faqeerun

    Dus toen liet moesa (hun kudde) voor hen drinken, toen keerde hij in de schaduw terug en zei: “Mijn Heer! Waarlijk ik heb behoefte aan al het goede wat U mij geeft!”

  25. فَجَآءَتْهُ إِحْدَىٰهُمَا تَمْشِى عَلَى ٱسْتِحْيَآءٍ قَالَتْ إِنَّ أَبِى يَدْعُوكَ لِيَجْزِيَكَ أَجْرَ مَا سَقَيْتَ لَنَا ۚ فَلَمَّا جَآءَهُۥ وَقَصَّ عَلَيْهِ ٱلْقَصَصَ قَالَ لَا تَخَفْ ۖ نَجَوْتَ مِنَ ٱلْقَوْمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝٢٥

    Fajaathu ihdahuma tamshee ʿala istihyain qalat inna abee yadʿooka liyajziyaka ajra ma saqayta lana falamma jaahu waqassa ʿalayhi alqasasa qala la takhaf najawta mina alqawmi alththalimeena

    Toen kwam één van de twee vrouwen schaamtevol (zo hoort de moslima te zijn, schaamtevol, vandaar ook haar Hidjaab) naar hem toe lopen. Zij zei: “Waarlijk, mijn vader roept u zodat hij u kan belonen voor het voeden (van onze kudde) voor ons.” Toen hij dus tot hem kwam en hem het verhaal vertelde, zei hij: “Vrees niet. Jij bent ontsnapt van het volk dat onrechtvaardig is.”

  26. قَالَتْ إِحْدَىٰهُمَا يَـٰٓأَبَتِ ٱسْتَـْٔجِرْهُ ۖ إِنَّ خَيْرَ مَنِ ٱسْتَـْٔجَرْتَ ٱلْقَوِىُّ ٱلْأَمِينُ۝٢٦

    Qalat ihdahuma ya abati istajirhu inna khayra mani istajarta alqawiyyu alameenu

    En één (van de twee vrouwen) zei “O mijn vader! Huur hem (neem hem in dienst)! Waarlijk, de beste mannen die u kunt huren zijn de sterke, de betrouwbare.”

  27. قَالَ إِنِّىٓ أُرِيدُ أَنْ أُنكِحَكَ إِحْدَى ٱبْنَتَىَّ هَـٰتَيْنِ عَلَىٰٓ أَن تَأْجُرَنِى ثَمَـٰنِىَ حِجَجٍ ۖ فَإِنْ أَتْمَمْتَ عَشْرًا فَمِنْ عِندِكَ ۖ وَمَآ أُرِيدُ أَنْ أَشُقَّ عَلَيْكَ ۚ سَتَجِدُنِىٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّـٰلِحِينَ۝٢٧

    Qala innee oreedu an onkihaka ihda ibnatayya hatayni ʿala an tajuranee thamaniya hijajin fain atmamta ʿashran famin ʿindika wama oreedu an ashuqqa ʿalayka satajidunee in shaa Allahu mina alssaliheena

    Hij zei: “Voorwaar ik ben van plan om één van deze twee dochters aan jou uit te huwelijken, op voorwaarde dat jij mij acht jaren zal dienen, maar als je de tien jaren volmaakt dan zal dat (een gunst) van jou zijn. Maar ik ben niet van plan het je moeilijk te maken. Als Allah het wil zal je ontdekken dat ik één van de rechtvaardigen ben.”

  28. قَالَ ذَٰلِكَ بَيْنِى وَبَيْنَكَ ۖ أَيَّمَا ٱلْأَجَلَيْنِ قَضَيْتُ فَلَا عُدْوَٰنَ عَلَىَّ ۖ وَٱللَّهُ عَلَىٰ مَا نَقُولُ وَكِيلٌ۝٢٨

    Qala thalika baynee wabaynaka ayyama alajalayni qadaytu fala ʿudwana ʿalayya waAllahu ʿala ma naqoolu wakeelun

    Hij (Moesa) zei: “Dat is dan tussen ons geregeld, welke van de twee termijnen ik vervul er zal geen onrechtvaardigheid op mij neerkomen en Allah is Getuige van wat wij zeggen.”

  29. ۞ فَلَمَّا قَضَىٰ مُوسَى ٱلْأَجَلَ وَسَارَ بِأَهْلِهِۦٓ ءَانَسَ مِن جَانِبِ ٱلطُّورِ نَارًا قَالَ لِأَهْلِهِ ٱمْكُثُوٓا۟ إِنِّىٓ ءَانَسْتُ نَارًا لَّعَلِّىٓ ءَاتِيكُم مِّنْهَا بِخَبَرٍ أَوْ جَذْوَةٍ مِّنَ ٱلنَّارِ لَعَلَّكُمْ تَصْطَلُونَ۝٢٩

    Falamma qada moosaalajala wasara biahlihi anasa min janibi alttoori naran qala liahlihi omkuthoo innee anastu naran laʿallee ateekum minha bikhabarin aw jathwatin mina alnnari laʿallakum tastaloona

    Toen, wanneer Moesa de termijn had volbracht en met zijn familie vertrok, zag hij een vuur in de richting van de (berg) Toer. Hij zei tegen zijn familie: “Wacht, ik heb een vuur gezien; misschien kan ik jullie wat informatie brengen of een brandende tak, dat jullie jezelf mogen verwarmen.”

  30. فَلَمَّآ أَتَىٰهَا نُودِىَ مِن شَـٰطِئِ ٱلْوَادِ ٱلْأَيْمَنِ فِى ٱلْبُقْعَةِ ٱلْمُبَـٰرَكَةِ مِنَ ٱلشَّجَرَةِ أَن يَـٰمُوسَىٰٓ إِنِّىٓ أَنَا ٱللَّهُ رَبُّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝٣٠

    Falamma ataha noodiya min shatii alwadi alaymani fee albuqʿati almubarakati mina alshshajarati an ya moosa innee ana Allahu rabbu alʿalameena

    Toen hij (het vuur) dus bereikte, werd hij van de rechterkant van het dal geroepen, op de gezegende plaats van de boom (door Allah): “O Moesa! Waarlijk! Ik ben Allah, de Heer van de werelden!

  31. وَأَنْ أَلْقِ عَصَاكَ ۖ فَلَمَّا رَءَاهَا تَهْتَزُّ كَأَنَّهَا جَآنٌّ وَلَّىٰ مُدْبِرًا وَلَمْ يُعَقِّبْ ۚ يَـٰمُوسَىٰٓ أَقْبِلْ وَلَا تَخَفْ ۖ إِنَّكَ مِنَ ٱلْـَٔامِنِينَ۝٣١

    Waan alqi ʿasaka falamma raaha tahtazzu kaannaha jannun walla mudbiran walam yuʿaqqib ya moosa aqbil wala takhaf innaka mina alamineena

    En gooi je stok!” Maar toen hij het als een slang zag bewegen, keerde hij om en vluchtte en keek niet om. (Allah): “O Moesa! Kom nabij en vrees niet. Waarlijk, jij bent één van degenen die veilig zijn.

  32. ٱسْلُكْ يَدَكَ فِى جَيْبِكَ تَخْرُجْ بَيْضَآءَ مِنْ غَيْرِ سُوٓءٍ وَٱضْمُمْ إِلَيْكَ جَنَاحَكَ مِنَ ٱلرَّهْبِ ۖ فَذَٰنِكَ بُرْهَـٰنَانِ مِن رَّبِّكَ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَإِي۟هِۦٓ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًا فَـٰسِقِينَ۝٣٢

    Osluk yadaka fee jaybika takhruj baydaa min ghayri sooin waodmum ilayka janahaka mina alrrahbi fathanika burhanani min rabbika ila firʿawna wamalaihi innahum kanoo qawman fasiqeena

    En plaats je hand in de opening van jouw kleding (dus via je hals), het zal zonder ziekte, wit worden (Moesa was van huidskleur donker) en trek je hand dicht tegen je aan om vrij van vrees te zijn, dit zijn twee tekenen, van je Heer voor de Farao en zijn leiders. Waarlijk, zij zijn het volk dat verdorven is.”

  33. قَالَ رَبِّ إِنِّى قَتَلْتُ مِنْهُمْ نَفْسًا فَأَخَافُ أَن يَقْتُلُونِ۝٣٣

    Qala rabbi innee qataltu minhum nafsan faakhafu an yaqtulooni

    Hij Moesa zei: “Mijn Heer! Ik heb een man van hen gedood, dus ik ben bang dat zij mij zullen doden.

  34. وَأَخِى هَـٰرُونُ هُوَ أَفْصَحُ مِنِّى لِسَانًا فَأَرْسِلْهُ مَعِىَ رِدْءًا يُصَدِّقُنِىٓ ۖ إِنِّىٓ أَخَافُ أَن يُكَذِّبُونِ۝٣٤

    Waakhee haroonu huwa afsahu minnee lisanan faarsilhu maʿiya ridan yusaddiqunee innee akhafu an yukaththibooni

    En mijn broeder Haaroen – hij kan zich beter uitdrukken dan ik, stuur hem dus als helper met mij mee om mij steun te geven (een daarom nooit een vriend die slecht is, maar neem iemand als vriend die je steunt in het geloof). Waarlijk! Ik vrees dat zij mij zullen verloochenen.”

  35. قَالَ سَنَشُدُّ عَضُدَكَ بِأَخِيكَ وَنَجْعَلُ لَكُمَا سُلْطَـٰنًا فَلَا يَصِلُونَ إِلَيْكُمَا ۚ بِـَٔايَـٰتِنَآ أَنتُمَا وَمَنِ ٱتَّبَعَكُمَا ٱلْغَـٰلِبُونَ۝٣٥

    Qala sanashuddu ʿadudaka biakheeka wanajʿalu lakuma sultanan fala yasiloona ilaykuma biayatina antuma wamani ittabaʿakuma alghaliboona

    Allah zei (interpretatie van de betekenis): “Wij zullen je versterken door je broer en zullen jullie beiden macht geven, dus zullen zij niet in staat zijn jullie te kwetsen, met Onze tekenen zullen jullie twee zowel als degenen die jullie volgen overwinnaars zijn."

  36. فَلَمَّا جَآءَهُم مُّوسَىٰ بِـَٔايَـٰتِنَا بَيِّنَـٰتٍ قَالُوا۟ مَا هَـٰذَآ إِلَّا سِحْرٌ مُّفْتَرًى وَمَا سَمِعْنَا بِهَـٰذَا فِىٓ ءَابَآئِنَا ٱلْأَوَّلِينَ۝٣٦

    Falamma jaahum moosa biayatina bayyinatin qaloo ma hatha illa sihrun muftaran wama samiʿna bihatha fee abaina alawwaleena

    Toen Moesa tot hen kwam met Onze duidelijke tekenen zeiden zij: “Dit is niets anders dan bedachte toverkunsten. Hier hebben wij van onze voorvaderen nog nooit van gehoord.”

  37. وَقَالَ مُوسَىٰ رَبِّىٓ أَعْلَمُ بِمَن جَآءَ بِٱلْهُدَىٰ مِنْ عِندِهِۦ وَمَن تَكُونُ لَهُۥ عَـٰقِبَةُ ٱلدَّارِ ۖ إِنَّهُۥ لَا يُفْلِحُ ٱلظَّـٰلِمُونَ۝٣٧

    Waqala moosa rabbee aʿlamu biman jaa bialhuda min ʿindihi waman takoonu lahu ʿaqibatu alddari innahu la yuflihu alththalimoona

    Moesa zei: “Mijn Heer kent het beste degene die met leiding van Hem komt, en degenen die een goed einde in het hiernamaals zullen hebben. Waarlijk, de onrechtvaardigen zullen niet slagen.”

  38. وَقَالَ فِرْعَوْنُ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلْمَلَأُ مَا عَلِمْتُ لَكُم مِّنْ إِلَـٰهٍ غَيْرِى فَأَوْقِدْ لِى يَـٰهَـٰمَـٰنُ عَلَى ٱلطِّينِ فَٱجْعَل لِّى صَرْحًا لَّعَلِّىٓ أَطَّلِعُ إِلَىٰٓ إِلَـٰهِ مُوسَىٰ وَإِنِّى لَأَظُنُّهُۥ مِنَ ٱلْكَـٰذِبِينَ۝٣٨

    Waqala firʿawnu ya ayyuha almalao ma ʿalimtu lakum min ilahin ghayree faawqid lee ya hamanu ʿala altteeni faijʿal lee sarhan laʿallee attaliʿu ila ilahi moosa wainnee laathunnuhu mina alkathibeena

    Farao zei: “O vooraanstaande! Ik weet niet dat jullie een andere god naast mij hebben, steek dus voor mij (een vuur) aan, O Hamam om (stenen van) klei te bakken en voor mij een liefelijke toren te bouwen zodat de God van Moesa (ga zoeken) en waarlijk, ik denk dat hij (Moesa) één van de leugenaars is.”

  39. وَٱسْتَكْبَرَ هُوَ وَجُنُودُهُۥ فِى ٱلْأَرْضِ بِغَيْرِ ٱلْحَقِّ وَظَنُّوٓا۟ أَنَّهُمْ إِلَيْنَا لَا يُرْجَعُونَ۝٣٩

    Waistakbara huwa wajunooduhu fee alardi bighayri alhaqqi wathannoo annahum ilayna la yurjaʿoona

    En hij en zijn leger waren hoogmoedig in het land, zonder daartoe recht te hebben – en zij dachten dat zij nooit tot Ons zouden terugkeren.

  40. فَأَخَذْنَـٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذْنَـٰهُمْ فِى ٱلْيَمِّ ۖ فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَـٰقِبَةُ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝٤٠

    Faakhathnahu wajunoodahu fanabathnahum fee alyammi faonthur kayfa kana ʿaqibatu alththalimeena

    Dus grepen Wij hem en zijn leger en Wij gooiden hen allen in de zee. Zie dus wat het einde van de onrechtvaardigen.

  41. وَجَعَلْنَـٰهُمْ أَئِمَّةً يَدْعُونَ إِلَى ٱلنَّارِ ۖ وَيَوْمَ ٱلْقِيَـٰمَةِ لَا يُنصَرُونَ۝٤١

    Wajaʿalnahum aimmatan yadʿoona ila alnnari wayawma alqiyamati la yunsaroona

    En Wij maakten hen tot leiders, uitnodigend naar het vuur en op de Dag der Opstanding zullen zij niet geholpen worden.

  42. وَأَتْبَعْنَـٰهُمْ فِى هَـٰذِهِ ٱلدُّنْيَا لَعْنَةً ۖ وَيَوْمَ ٱلْقِيَـٰمَةِ هُم مِّنَ ٱلْمَقْبُوحِينَ۝٤٢

    Waatbaʿnahum fee hathihi alddunya laʿnatan wayawma alqiyamati hum mina almaqbooheena

    En Wij lieten een vloek hen op deze wereld volgen en op de Dag der Opstanding zullen zij onder de verachten zijn.

  43. وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَـٰبَ مِنۢ بَعْدِ مَآ أَهْلَكْنَا ٱلْقُرُونَ ٱلْأُولَىٰ بَصَآئِرَ لِلنَّاسِ وَهُدًى وَرَحْمَةً لَّعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ۝٤٣

    Walaqad atayna moosa alkitaba min baʿdi ma ahlakna alquroona aloola basaira lilnnasi wahudan warahmatan laʿallahum yatathakkaroona

    En voorwaar, Wij gaven aan Moesa het boek, nadat Wij de oude generatie vernietigd hadden, als een verlichting voor de mensheid en een leiding en een genade, dat zij er lering uit zullen halen.

  44. وَمَا كُنتَ بِجَانِبِ ٱلْغَرْبِىِّ إِذْ قَضَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَى ٱلْأَمْرَ وَمَا كُنتَ مِنَ ٱلشَّـٰهِدِينَ۝٤٤

    Wama kunta bijanibi algharbiyyi ith qadayna ila moosa alamra wama kunta mina alshshahideena

    En jij (o Mohammed) was niet aan de westelijke kant (van de Berg) Thoer, toen Wij aan Moesa de Geboden duidelijk maakten, en jij was niet onder de aanwezigen.

  45. وَلَـٰكِنَّآ أَنشَأْنَا قُرُونًا فَتَطَاوَلَ عَلَيْهِمُ ٱلْعُمُرُ ۚ وَمَا كُنتَ ثَاوِيًا فِىٓ أَهْلِ مَدْيَنَ تَتْلُوا۟ عَلَيْهِمْ ءَايَـٰتِنَا وَلَـٰكِنَّا كُنَّا مُرْسِلِينَ۝٤٥

    Walakinna anshana quroonan fatatawala ʿalayhimu alʿumuru wama kunta thawiyan fee ahli madyana tatloo ʿalayhim ayatina walakinna kunna mursileena

    Maar Wij schiepen generaties waar vele jaren voor hen voorbij gingen. En jij was niet één bewoners onder het volk van Median, Die Onze verzen aan hen reciteren. Maar Wij zijn het Die de (boodschappers) blijven sturen.

  46. وَمَا كُنتَ بِجَانِبِ ٱلطُّورِ إِذْ نَادَيْنَا وَلَـٰكِن رَّحْمَةً مِّن رَّبِّكَ لِتُنذِرَ قَوْمًا مَّآ أَتَىٰهُم مِّن نَّذِيرٍ مِّن قَبْلِكَ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ۝٤٦

    Wama kunta bijanibi alttoori ith nadayna walakin rahmatan min rabbika litunthira qawman ma atahum min natheerin min qablika laʿallahum yatathakkaroona

    En jij stond niet aan de kant van Thoer, toen Wij riepen Maar (jij bent gestuurd) als een genade van jouw Heer, om een volk waarvoor geen waarschuwer voor jou is gekomen te waarschuwen, zodat zij zich zullen herinneren of een vermaning ontvangen.

  47. وَلَوْلَآ أَن تُصِيبَهُم مُّصِيبَةٌۢ بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيهِمْ فَيَقُولُوا۟ رَبَّنَا لَوْلَآ أَرْسَلْتَ إِلَيْنَا رَسُولًا فَنَتَّبِعَ ءَايَـٰتِكَ وَنَكُونَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ۝٤٧

    Walawla an tuseebahum museebatun bima qaddamat aydeehim fayaqooloo rabbana lawla arsalta ilayna rasoolan fanattabiʿa ayatika wanakoona mina almumineena

    En als (Wij) jou niet (naar het volk van Mekka hadden gestuurd) zou in dat geval een ramp hun voor (hun daden) die hun handen vooruit hebben gestuurd, treffen, zij zouden gezegd hebben: “Onze Heer! Waarom heeft U ons geen boodschapper gestuurd? Wij zouden dan Uw tekenen gevolgd hebben en zouden onder de gelovigen zijn.”

  48. فَلَمَّا جَآءَهُمُ ٱلْحَقُّ مِنْ عِندِنَا قَالُوا۟ لَوْلَآ أُوتِىَ مِثْلَ مَآ أُوتِىَ مُوسَىٰٓ ۚ أَوَلَمْ يَكْفُرُوا۟ بِمَآ أُوتِىَ مُوسَىٰ مِن قَبْلُ ۖ قَالُوا۟ سِحْرَانِ تَظَـٰهَرَا وَقَالُوٓا۟ إِنَّا بِكُلٍّ كَـٰفِرُونَ۝٤٨

    Falamma jaahumu alhaqqu min ʿindina qaloo lawla ootiya mithla ma ootiya moosa awalam yakfuroo bima ootiya moosa min qablu qaloo sihrani tathahara waqaloo inna bikullin kafiroona

    En toen de waarheid van Ons tot hen gekomen was, zeiden zij: “Waarom is hem niet zoiets als Moesa gegeven?” Waren zij dan niet ongelovig in wat aan Moesa was gegeven? Zij zeiden: “Twee tovenaars die elkaar helpend zijn!” En zij zeiden: “Waarlijk! In beiden zijn wij ongelovigen.”

  49. قُلْ فَأْتُوا۟ بِكِتَـٰبٍ مِّنْ عِندِ ٱللَّهِ هُوَ أَهْدَىٰ مِنْهُمَآ أَتَّبِعْهُ إِن كُنتُمْ صَـٰدِقِينَ۝٤٩

    Qul fatoo bikitabin min ʿindi Allahi huwa ahda minhuma attabiʿhu in kuntum sadiqeena

    Zeg: “Breng dan een boek van Allah dat een betere gids is dan deze twee zodat ik het kan volgen, als jullie waarachtig zijn.”

  50. فَإِن لَّمْ يَسْتَجِيبُوا۟ لَكَ فَٱعْلَمْ أَنَّمَا يَتَّبِعُونَ أَهْوَآءَهُمْ ۚ وَمَنْ أَضَلُّ مِمَّنِ ٱتَّبَعَ هَوَىٰهُ بِغَيْرِ هُدًى مِّنَ ٱللَّهِ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝٥٠

    Fain lam yastajeeboo laka faiʿlam annama yattabiʿoona ahwaahum waman adallu mimmani ittabaʿa hawahu bighayri hudan mina Allahi inna Allaha la yahdee alqawma alththalimeena

    Maar als zij jou geen gehoor geven, weet dan dat zij slechts hun eigen lusten volgen. En wie dwaalt er meer af dan degenen die zijn eigen lusten volgt zonder leiding van Allah? Waarlijk, Allah leidt niet het volk dat onrechtvaardig is.

  51. ۞ وَلَقَدْ وَصَّلْنَا لَهُمُ ٱلْقَوْلَ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ۝٥١

    Walaqad wassalna lahumu alqawla laʿallahum yatathakkaroona

    En voorwaar, nu hebben Wij het woord verkondigd, waarin het nieuws over alles voor hen staat, zodat zij er lering uit zullen halen.

  52. ٱلَّذِينَ ءَاتَيْنَـٰهُمُ ٱلْكِتَـٰبَ مِن قَبْلِهِۦ هُم بِهِۦ يُؤْمِنُونَ۝٥٢

    Allatheena ataynahumu alkitaba min qablihi hum bihi yuminoona

    Degenen aan wie Wij het Boek hiervoor hebben gegeven – zij geloven daarin.

  53. وَإِذَا يُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا بِهِۦٓ إِنَّهُ ٱلْحَقُّ مِن رَّبِّنَآ إِنَّا كُنَّا مِن قَبْلِهِۦ مُسْلِمِينَ۝٥٣

    Waitha yutla ʿalayhim qaloo amanna bihi innahu alhaqqu min rabbina inna kunna min qablihi muslimeena

    En als het voor hen gereciteerd wordt, zeggen zij: “Wij geloven erin. Waarlijk, het is de waarheid van onze Heer. Voorwaar, wij behoorden al hiervoor tot degenen die zich aan Allah als moslims onderworpen hadden."

  54. أُو۟لَـٰٓئِكَ يُؤْتَوْنَ أَجْرَهُم مَّرَّتَيْنِ بِمَا صَبَرُوا۟ وَيَدْرَءُونَ بِٱلْحَسَنَةِ ٱلسَّيِّئَةَ وَمِمَّا رَزَقْنَـٰهُمْ يُنفِقُونَ۝٥٤

    Olaika yutawna ajrahum marratayni bima sabaroo wayadraoona bialhasanati alssayyiata wamimma razaqnahum yunfiqoona

    Hun zullen tweemaal hun beloning krijgen, omdat zij geduldig waren en het kwaad met het goede beantwoordden en datgene uitgaven waarmee Wij hen voorzien hebben.

  55. وَإِذَا سَمِعُوا۟ ٱللَّغْوَ أَعْرَضُوا۟ عَنْهُ وَقَالُوا۟ لَنَآ أَعْمَـٰلُنَا وَلَكُمْ أَعْمَـٰلُكُمْ سَلَـٰمٌ عَلَيْكُمْ لَا نَبْتَغِى ٱلْجَـٰهِلِينَ۝٥٥

    Waitha samiʿoo allaghwa aʿradoo ʿanhu waqaloo lana aʿmaluna walakum aʿmalukum salamun ʿalaykum la nabtaghee aljahileena

    En als zij zondigheid horen (muziek, rodelen,enz)dan trekken zij zich daarvan terug en zeggen: “Voor ons,zijn onze daden en voor jullie zijn jullie daden. Vrede zij met jullie. Wij streven niet naar de onwetenden.”

  56. إِنَّكَ لَا تَهْدِى مَنْ أَحْبَبْتَ وَلَـٰكِنَّ ٱللَّهَ يَهْدِى مَن يَشَآءُ ۚ وَهُوَ أَعْلَمُ بِٱلْمُهْتَدِينَ۝٥٦

    Innaka la tahdee man ahbabta walakinna Allaha yahdee man yashao wahuwa aʿlamu bialmuhtadeena

    Waarlijk! Jij leidt niet wie jij liefhebt, maar Allah leidt wie Hij wil. En Hij kent degenen die geleid zijn het beste.

  57. وَقَالُوٓا۟ إِن نَّتَّبِعِ ٱلْهُدَىٰ مَعَكَ نُتَخَطَّفْ مِنْ أَرْضِنَآ ۚ أَوَلَمْ نُمَكِّن لَّهُمْ حَرَمًا ءَامِنًا يُجْبَىٰٓ إِلَيْهِ ثَمَرَٰتُ كُلِّ شَىْءٍ رِّزْقًا مِّن لَّدُنَّا وَلَـٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ۝٥٧

    Waqaloo in nattabiʿi alhuda maʿaka nutakhattaf min ardina awalam numakkin lahum haraman aminan yujba ilayhi thamaratu kulli shayin rizqan min ladunna walakinna aktharahum la yaʿlamoona

    En zij zeggen: “Als wij de leiding met jou (Mohammed) volgen, dan worden wij van ons land gegrepen." Hebben Wij dan niet voor hen een veilig land (Mekka) ingesteld, waarvoor allerlei soorten fruit naartoe wordt gebracht – een voorziening van Allah, maar de meesten van hen weten niet.

  58. وَكَمْ أَهْلَكْنَا مِن قَرْيَةٍۭ بَطِرَتْ مَعِيشَتَهَا ۖ فَتِلْكَ مَسَـٰكِنُهُمْ لَمْ تُسْكَن مِّنۢ بَعْدِهِمْ إِلَّا قَلِيلًا ۖ وَكُنَّا نَحْنُ ٱلْوَٰرِثِينَ۝٥٨

    Wakam ahlakna min qaryatin batirat maʿeeshataha fatilka masakinuhum lam tuskan min baʿdihim illa qaleelan wakunna nahnu alwaritheena

    En hoeveel steden hebben Wij vernietigd, die ondankbaar waren voor de middelen van levensonderhoud! En dat zijn hun woonplaatsen waarin na hen nog maar weinig mensen woonden. En waarlijk! En wij waren de erfgenamen.

  59. وَمَا كَانَ رَبُّكَ مُهْلِكَ ٱلْقُرَىٰ حَتَّىٰ يَبْعَثَ فِىٓ أُمِّهَا رَسُولًا يَتْلُوا۟ عَلَيْهِمْ ءَايَـٰتِنَا ۚ وَمَا كُنَّا مُهْلِكِى ٱلْقُرَىٰٓ إِلَّا وَأَهْلُهَا ظَـٰلِمُونَ۝٥٩

    Wama kana rabbuka muhlika alqura hatta yabʿatha fee ommiha rasoolan yatloo ʿalayhim ayatina wama kunna muhlikee alqura illa waahluha thalimoona

    En nooit zal jullie Heer de steden vernietigen tot Hij tot de moederstad een boodschapper stuurt die voor hen Onze verzen reciteert. En nooit zullen Wij de steden vernietigen tenzij de bevolking onrechtvaardig is.

  60. وَمَآ أُوتِيتُم مِّن شَىْءٍ فَمَتَـٰعُ ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَزِينَتُهَا ۚ وَمَا عِندَ ٱللَّهِ خَيْرٌ وَأَبْقَىٰٓ ۚ أَفَلَا تَعْقِلُونَ۝٦٠

    Wama ooteetum min shayin famataʿu alhayati alddunya wazeenatuha wama ʿinda Allahi khayrun waabqa afala taʿqiloona

    En wat jullie ook gegeven is, is slechts een vermaak van het leven van (deze) wereld en haar versiering, en dat wat bij Allah is, is beter en zal voor eeuwig blijven. Hebben jullie dan geen verstand?

  61. أَفَمَن وَعَدْنَـٰهُ وَعْدًا حَسَنًا فَهُوَ لَـٰقِيهِ كَمَن مَّتَّعْنَـٰهُ مَتَـٰعَ ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا ثُمَّ هُوَ يَوْمَ ٱلْقِيَـٰمَةِ مِنَ ٱلْمُحْضَرِينَ۝٦١

    Afaman waʿadnahu waʿdan hasanan fahuwa laqeehi kaman mattaʿnahu mataʿa alhayati alddunya thumma huwa yawma alqiyamati mina almuhdareena

    Is hij aan wie Wij een uitmuntende belofte hebben gegeven, waarvan hij zal ontdekken dat het waar is, hetzelfde als degenen die Wij de luxe van het leven van (deze) wereld laten genieten, hij zal dan op de Dag der Opstanding verkeren onder degenen die in de Hel verzameld zullen worden.

  62. وَيَوْمَ يُنَادِيهِمْ فَيَقُولُ أَيْنَ شُرَكَآءِىَ ٱلَّذِينَ كُنتُمْ تَزْعُمُونَ۝٦٢

    Wayawma yunadeehim fayaqoolu ayna shurakaiya allatheena kuntum tazʿumoona

    En (gedenk) de Dag wanneer Hij (Allah) hen zal roepen en zeggen: “Waar zijn Mijn (zogenaamde) deelgenoten, die jullie plachten toe te voegen?”

  63. قَالَ ٱلَّذِينَ حَقَّ عَلَيْهِمُ ٱلْقَوْلُ رَبَّنَا هَـٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ أَغْوَيْنَآ أَغْوَيْنَـٰهُمْ كَمَا غَوَيْنَا ۖ تَبَرَّأْنَآ إِلَيْكَ ۖ مَا كَانُوٓا۟ إِيَّانَا يَعْبُدُونَ۝٦٣

    Qala allatheena haqqa ʿalayhimu alqawlu rabbana haolai allatheena aghwayna aghwaynahum kama ghawayna tabarrana ilayka ma kanoo iyyana yaʿbudoona

    Degenen waarvoor het woord de waarheid werd zullen zeggen: “Onze Heer! Dit zijn degenen die wij hebben laten dwalen. Wij hebben hen laten dwalen zoals wij zelf dwaalden. Wij zijn vrij van hun slechtheid. Wij waren het niet die zij aanbaden.”

  64. وَقِيلَ ٱدْعُوا۟ شُرَكَآءَكُمْ فَدَعَوْهُمْ فَلَمْ يَسْتَجِيبُوا۟ لَهُمْ وَرَأَوُا۟ ٱلْعَذَابَ ۚ لَوْ أَنَّهُمْ كَانُوا۟ يَهْتَدُونَ۝٦٤

    Waqeela odʿoo shurakaakum fadaʿawhum falam yastajeeboo lahum waraawoo alʿathaba law annahum kanoo yahtadoona

    En er zal gezegd worden: “Roep jullie deelgenoten op” en zij zullen hen oproepen, maar zij zullen hen niet beantwoorden en zij zullen de bestraffing zien. (Dan zullen zij wensen) dat zij maar geleid zouden zijn!

  65. وَيَوْمَ يُنَادِيهِمْ فَيَقُولُ مَاذَآ أَجَبْتُمُ ٱلْمُرْسَلِينَ۝٦٥

    Wayawma yunadeehim fayaqoolu matha ajabtumu almursaleena

    En (gedenk) de Dag dat (Allah) hen zal roepen en zeggen: “Wat voor antwoord gaven jullie aan de boodschappers?”

  66. فَعَمِيَتْ عَلَيْهِمُ ٱلْأَنۢبَآءُ يَوْمَئِذٍ فَهُمْ لَا يَتَسَآءَلُونَ۝٦٦

    Faʿamiyat ʿalayhimu alanbao yawmaithin fahum la yatasaaloona

    Dan zal het nieuws van het goede antwoord voor hen op die dag verduisterd worden en zij zullen niet in staat zijn om het elkaar te vragen.

  67. فَأَمَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ صَـٰلِحًا فَعَسَىٰٓ أَن يَكُونَ مِنَ ٱلْمُفْلِحِينَ۝٦٧

    Faamma man taba waamana waʿamila salihan faʿasa an yakoona mina almufliheena

    Maar voor degenen die berouw tonen, geloven en goede daden verrichtten die zal dan onder degenen verkeren die zullen slagen.

  68. وَرَبُّكَ يَخْلُقُ مَا يَشَآءُ وَيَخْتَارُ ۗ مَا كَانَ لَهُمُ ٱلْخِيَرَةُ ۚ سُبْحَـٰنَ ٱللَّهِ وَتَعَـٰلَىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَ۝٦٨

    Warabbuka yakhluqu ma yashao wayakhtaru ma kana lahumu alkhiyaratu subhana Allahi wataʿala ʿamma yushrikoona

    En jullie Heer schept wat Hij wil en kiest, zij hebben geen keuze. Verheerlijkt is Allah en verheven boven alles wat zij (met Hem) als deelgenoten verenigen.

  69. وَرَبُّكَ يَعْلَمُ مَا تُكِنُّ صُدُورُهُمْ وَمَا يُعْلِنُونَ۝٦٩

    Warabbuka yaʿlamu ma tukinnu sudooruhum wama yuʿlinoona

    En jouw Heer weet wat zij in hun borsten verbergen en wat zij onthullen.

  70. وَهُوَ ٱللَّهُ لَآ إِلَـٰهَ إِلَّا هُوَ ۖ لَهُ ٱلْحَمْدُ فِى ٱلْأُولَىٰ وَٱلْـَٔاخِرَةِ ۖ وَلَهُ ٱلْحُكْمُ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ۝٧٠

    Wahuwa Allahu la ilaha illa huwa lahu alhamdu fee aloola waalakhirati walahu alhukmu wailayhi turjaʿoona

    En Hij is Allah. Geen heeft het recht aanbeden te worden behalve Hij. Aan Hem is alle lofprijzing, het eerste en het laatste. En aan Hem is het besluit en tot Hem zullen jullie (allen) terugkeren.

  71. قُلْ أَرَءَيْتُمْ إِن جَعَلَ ٱللَّهُ عَلَيْكُمُ ٱلَّيْلَ سَرْمَدًا إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَـٰمَةِ مَنْ إِلَـٰهٌ غَيْرُ ٱللَّهِ يَأْتِيكُم بِضِيَآءٍ ۖ أَفَلَا تَسْمَعُونَ۝٧١

    Qul araaytum in jaʿala Allahu ʿalaykumu allayla sarmadan ila yawmi alqiyamati man ilahun ghayru Allahi yateekum bidiyain afala tasmaʿoona

    Zeg: “Vertel mij! Als Allah voor jullie de nacht permanent zou maken tot de Dag der Opstanding, Is er dan een andere god naast Allah die jullie het licht kan brengen. Zullen jullie dan niet luisteren?”

  72. قُلْ أَرَءَيْتُمْ إِن جَعَلَ ٱللَّهُ عَلَيْكُمُ ٱلنَّهَارَ سَرْمَدًا إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَـٰمَةِ مَنْ إِلَـٰهٌ غَيْرُ ٱللَّهِ يَأْتِيكُم بِلَيْلٍ تَسْكُنُونَ فِيهِ ۖ أَفَلَا تُبْصِرُونَ۝٧٢

    Qul araaytum in jaʿala Allahu ʿalaykumu alnnahara sarmadan ila yawmi alqiyamati man ilahun ghayru Allahi yateekum bilaylin taskunoona feehi afala tubsiroona

    Zeg: “Vertel mij! Als Allah voor jullie de dag permanent zou maken tot de Dag der Opstanding, is er dan een andere god naast Allah die jullie de nacht waarin jullie rusten kan brengen? Willen jullie het dan niet zien?

  73. وَمِن رَّحْمَتِهِۦ جَعَلَ لَكُمُ ٱلَّيْلَ وَٱلنَّهَارَ لِتَسْكُنُوا۟ فِيهِ وَلِتَبْتَغُوا۟ مِن فَضْلِهِۦ وَلَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ۝٧٣

    Wamin rahmatihi jaʿala lakumu allayla waalnnahara litaskunoo feehi walitabtaghoo min fadlihi walaʿallakum tashkuroona

    Het is door Zijn genade dat Hij voor jullie de nacht en de dag heeft gemaakt– dat jullie daarin mogen rusten en dat jullie Zijn overvloed mogen zoeken zodat jullie dankbaar zullen zijn.

  74. وَيَوْمَ يُنَادِيهِمْ فَيَقُولُ أَيْنَ شُرَكَآءِىَ ٱلَّذِينَ كُنتُمْ تَزْعُمُونَ۝٧٤

    Wayawma yunadeehim fayaqoolu ayna shurakaiya allatheena kuntum tazʿumoona

    En (gedenk) de Dag waarop Hij hen zal roepen) en zal zeggen: “Waar zijn Mijn (zogenaamde) deelgenoten, die jullie plachten toe te voegen?”

  75. وَنَزَعْنَا مِن كُلِّ أُمَّةٍ شَهِيدًا فَقُلْنَا هَاتُوا۟ بُرْهَـٰنَكُمْ فَعَلِمُوٓا۟ أَنَّ ٱلْحَقَّ لِلَّهِ وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَفْتَرُونَ۝٧٥

    Wanazaʿna min kulli ommatin shaheedan faqulna hatoo burhanakum faʿalimoo anna alhaqqa lillahi wadalla ʿanhum ma kanoo yaftaroona

    En Wij zullen uit elke natie een getuige nemen en Wij zullen zeggen: “Geef jullie bewijzen.” Dan zullen zij weten dat de waarheid (alleen) bij Allah is en de leugens die zij verzonnen hadden zullen van hen verdwijnen.

  76. ۞ إِنَّ قَـٰرُونَ كَانَ مِن قَوْمِ مُوسَىٰ فَبَغَىٰ عَلَيْهِمْ ۖ وَءَاتَيْنَـٰهُ مِنَ ٱلْكُنُوزِ مَآ إِنَّ مَفَاتِحَهُۥ لَتَنُوٓأُ بِٱلْعُصْبَةِ أُو۟لِى ٱلْقُوَّةِ إِذْ قَالَ لَهُۥ قَوْمُهُۥ لَا تَفْرَحْ ۖ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلْفَرِحِينَ۝٧٦

    Inna qaroona kana min qawmi moosa fabagha ʿalayhim waataynahu mina alkunoozi ma inna mafatihahu latanooo bialʿusbati olee alquwwati ith qala lahu qawmuhu la tafrah inna Allaha la yuhibbu alfariheena

    Waarlijk, Karoen behoorde tot het volk van Moesa, maar hij gedroeg zich hooghartig tegen hen. En Wij gaven hem van de schatten, datgene waarvoor de sleutels voor de lichamen van sterke mannen een last was om die te dragen. Toen zijn volk tegen hem zei: “Wees niet blij (met ondankbaarheid voor de gunsten van Allah, en door jezelf). Maar Waarlijk! Allah houdt niet van degenen die blij zijn (met de ondankbaarheid voor de gunsten van Allah).

  77. وَٱبْتَغِ فِيمَآ ءَاتَىٰكَ ٱللَّهُ ٱلدَّارَ ٱلْـَٔاخِرَةَ ۖ وَلَا تَنسَ نَصِيبَكَ مِنَ ٱلدُّنْيَا ۖ وَأَحْسِن كَمَآ أَحْسَنَ ٱللَّهُ إِلَيْكَ ۖ وَلَا تَبْغِ ٱلْفَسَادَ فِى ٱلْأَرْضِ ۖ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلْمُفْسِدِينَ۝٧٧

    Waibtaghi feema ataka Allahu alddara alakhirata wala tansa naseebaka mina alddunya waahsin kama ahsana Allahu ilayka wala tabghi alfasada fee alardi inna Allaha la yuhibbu almufsideena

    Zoek met datgene (de welvaart) die Allah jou gegeven heeft, het Huis van het hiernamaals, en vergeet niet jouw aandeel niet in deze wereld en doe goed zoals Allah goed voor jou doet, en zaai geen verderf in het land. Waarlijk, Allah houdt niet van de verderfzaaiers.”

  78. قَالَ إِنَّمَآ أُوتِيتُهُۥ عَلَىٰ عِلْمٍ عِندِىٓ ۚ أَوَلَمْ يَعْلَمْ أَنَّ ٱللَّهَ قَدْ أَهْلَكَ مِن قَبْلِهِۦ مِنَ ٱلْقُرُونِ مَنْ هُوَ أَشَدُّ مِنْهُ قُوَّةً وَأَكْثَرُ جَمْعًا ۚ وَلَا يُسْـَٔلُ عَن ذُنُوبِهِمُ ٱلْمُجْرِمُونَ۝٧٨

    Qala innama ooteetuhu ʿala ʿilmin ʿindee awalam yaʿlam anna Allaha qad ahlaka min qablihi mina alqurooni man huwa ashaddu minhu quwwatan waaktharu jamʿan wala yusalu ʿan thunoobihimu almujrimoona

    Hij zei: “Dit is aan mij gegeven alleen vanwege de kennis die ik bezit.” Wist hij niet dat Allah vóór hem generaties mensen vernietigd heeft die sterker dan hem waren en groter in aantal (van rijkdom) van wat zij verzameld hadden. Maar de misdadigers zullen niet over hun zonden gevraagd worden (omdat door hun ongeloof zij rechtstreeks naar de Hel gesleept worden).

  79. فَخَرَجَ عَلَىٰ قَوْمِهِۦ فِى زِينَتِهِۦ ۖ قَالَ ٱلَّذِينَ يُرِيدُونَ ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا يَـٰلَيْتَ لَنَا مِثْلَ مَآ أُوتِىَ قَـٰرُونُ إِنَّهُۥ لَذُو حَظٍّ عَظِيمٍ۝٧٩

    Fakharaja ʿala qawmihi fee zeenatihi qala allatheena yureedoona alhayata alddunya ya layta lana mithla ma ootiya qaroonu innahu lathoo haththin ʿatheemin

    Zo ging hij zijn mensen voor in zijn prachtvertoon. Degenen die het leven van deze wereld wensten zeiden: “Ah, wij wensten dat wij het ook zo hadden als Karoen het gegeven is. Waarlijk! Hij is de bezitter van een grote rijkdom.”

  80. وَقَالَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْعِلْمَ وَيْلَكُمْ ثَوَابُ ٱللَّهِ خَيْرٌ لِّمَنْ ءَامَنَ وَعَمِلَ صَـٰلِحًا وَلَا يُلَقَّىٰهَآ إِلَّا ٱلصَّـٰبِرُونَ۝٨٠

    Waqala allatheena ootoo alʿilma waylakum thawabu Allahi khayrun liman amana waʿamila salihan wala yulaqqaha illa alssabiroona

    Maar degenen die (religieuze) kennis was gegeven zeiden: “Wee voor jullie! De beloning van Allah is beter voor degenen die geloven en goede daden verrichten en dit zal niemand krijgen behalve degene die geduldig is.”

  81. فَخَسَفْنَا بِهِۦ وَبِدَارِهِ ٱلْأَرْضَ فَمَا كَانَ لَهُۥ مِن فِئَةٍ يَنصُرُونَهُۥ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَمَا كَانَ مِنَ ٱلْمُنتَصِرِينَ۝٨١

    Fakhasafna bihi wabidarihi alarda fama kana lahu min fiatin yansuroonahu min dooni Allahi wama kana mina almuntasireena

    Wij zorgden er dus voor dat de aarde hem en zijn woonplaats opzwolg. En hij had geen groep of partij om hem tegen Allah te helpen, noch behoorden hij tot degenen die zichzelf kon redden.

  82. وَأَصْبَحَ ٱلَّذِينَ تَمَنَّوْا۟ مَكَانَهُۥ بِٱلْأَمْسِ يَقُولُونَ وَيْكَأَنَّ ٱللَّهَ يَبْسُطُ ٱلرِّزْقَ لِمَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ وَيَقْدِرُ ۖ لَوْلَآ أَن مَّنَّ ٱللَّهُ عَلَيْنَا لَخَسَفَ بِنَا ۖ وَيْكَأَنَّهُۥ لَا يُفْلِحُ ٱلْكَـٰفِرُونَ۝٨٢

    Waasbaha allatheena tamannaw makanahu bialamsi yaqooloona waykaanna Allaha yabsutu alrrizqa liman yashao min ʿibadihi wayaqdiru lawla an manna Allahu ʿalayna lakhasafa bina waykaannahu la yuflihu alkafiroona

    En degenen die een dag eerder (een positie als) zijn positie hadden gewenst begonnen te zeggen: “Weten jullie niet dat het Allah is Die de voorziening vergroot voor wie Hij maar wilt van Zijn dienaren of vermindert. Als het niet was geweest dat Allah ons begunstigd had, dan zou Hij ervoor kunnen zorgen dat de aarde ons (ook) opzwelgt! Weten jullie niet dat de ongelovigen nooit zullen slagen.”

  83. تِلْكَ ٱلدَّارُ ٱلْـَٔاخِرَةُ نَجْعَلُهَا لِلَّذِينَ لَا يُرِيدُونَ عُلُوًّا فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا فَسَادًا ۚ وَٱلْعَـٰقِبَةُ لِلْمُتَّقِينَ۝٨٣

    Tilka alddaru alakhiratu najʿaluha lillatheena la yureedoona ʿuluwwan fee alardi wala fasadan waalʿaqibatu lilmuttaqeena

    Dat het Huis van het hiernamaals wat Wij aan degenen zullen toekennen die niet tegen de waarheid met trots in opstand komen en onderdrukking in het land noch ellende veroorzaken door het plegen van misdaden. En het goede einde is voor de godvrezenden (daarom moeten we veel geduld hebben in deze periode).

  84. مَن جَآءَ بِٱلْحَسَنَةِ فَلَهُۥ خَيْرٌ مِّنْهَا ۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجْزَى ٱلَّذِينَ عَمِلُوا۟ ٱلسَّيِّـَٔاتِ إِلَّا مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ۝٨٤

    Man jaa bialhasanati falahu khayrun minha waman jaa bialssayyiati fala yujza allatheena ʿamiloo alssayyiati illa ma kanoo yaʿmaloona

    Iedereen die met een goede daad komt zal daar beter van worden en iedereen die met een slechte daad komt dan zullen degenen die kwade daden verrichten slechts vergoed worden voor wat zij gedaan hebben.

  85. إِنَّ ٱلَّذِى فَرَضَ عَلَيْكَ ٱلْقُرْءَانَ لَرَآدُّكَ إِلَىٰ مَعَادٍ ۚ قُل رَّبِّىٓ أَعْلَمُ مَن جَآءَ بِٱلْهُدَىٰ وَمَنْ هُوَ فِى ضَلَـٰلٍ مُّبِينٍ۝٨٥

    Inna allathee farada ʿalayka alqurana laradduka ila maʿadin qul rabbee aʿlamu man jaa bialhuda waman huwa fee dalalin mubeenin

    Waarlijk, Hij Die jou de Koran gegeven heeft zal jou zeker terug brengen naar de plaats van terugkeer. Zeg: “Mijn Heer weet van degenen die leiding brengt en degenen die in een duidelijke afdwaling verkeert."

  86. وَمَا كُنتَ تَرْجُوٓا۟ أَن يُلْقَىٰٓ إِلَيْكَ ٱلْكِتَـٰبُ إِلَّا رَحْمَةً مِّن رَّبِّكَ ۖ فَلَا تَكُونَنَّ ظَهِيرًا لِّلْكَـٰفِرِينَ۝٨٦

    Wama kunta tarjoo an yulqa ilayka alkitabu illa rahmatan min rabbika fala takoonanna thaheeran lilkafireena

    En jij had niet verwacht dat het Boek naar jou naar beneden werd gestuurd, maar het is een genade van jouw Heer. Wees dus nooit een ondersteuner van de ongelovigen.

  87. وَلَا يَصُدُّنَّكَ عَنْ ءَايَـٰتِ ٱللَّهِ بَعْدَ إِذْ أُنزِلَتْ إِلَيْكَ ۖ وَٱدْعُ إِلَىٰ رَبِّكَ ۖ وَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ۝٨٧

    Wala yasuddunnaka ʿan ayati Allahi baʿda ith onzilat ilayka waodʿu ila rabbika wala takoonanna mina almushrikeena

    En laat hen jou niet doen afkeren van (het prediken) van de tekenen van Allah nadat zij aan jou neer zijn gezonden en nodig (de mensen) uit om (te in geloven) jouw Heer en behoor niet tot afgodendienaars.

  88. وَلَا تَدْعُ مَعَ ٱللَّهِ إِلَـٰهًا ءَاخَرَ ۘ لَآ إِلَـٰهَ إِلَّا هُوَ ۚ كُلُّ شَىْءٍ هَالِكٌ إِلَّا وَجْهَهُۥ ۚ لَهُ ٱلْحُكْمُ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ۝٨٨

    Wala tadʿu maʿa Allahi ilahan akhara la ilaha illa huwa kullu shayin halikun illa wajhahu lahu alhukmu wailayhi turjaʿoona

    En roep geen andere goden naast Allah aan. Geen heeft het recht om aanbeden te worden behalve Hij. Alles zal verdwijnen behalve Zijn gezicht (zoals het past bij zijn perfectie). Bij Hem is het besluit en tot Hem zullen jullie (allen) terugkeren.

Veelgestelde vragen

Wat betekent de naam van soera Al-Qasas?

Al-Qasas betekent ‘De verhalen’.

In welke juz staat soera Al-Qasas?

Soera Al-Qasas staat in juz 20.

Hoeveel verzen heeft soera Al-Qasas?

Soera Al-Qasas telt 88 verzen.

Is soera Al-Qasas Mekkaans of Medinaans?

Soera Al-Qasas is een Mekkaanse soera.

Welk nummer heeft soera Al-Qasas?

Al-Qasas is de 28e soera van de Koran.

Bronnen

  • Arabic text: Tanzil Quran Text (Uthmani) (Tanzil Project, CC BY 3.0), reproduced without changes.
  • Translation: Dutch Islamic Center, from QuranEnc.com, version 2.0.10, reproduced without changes.
  • Transliteration: Tanzil.net English transliteration.
  • Recitation: Mishary Rashid Alafasy, via QuranicAudio.com and EveryAyah.com.
  • Word by word: recordings and meanings from Quran.com (Quran Foundation), played when you tap a word.
  • Madinah and IndoPak fonts (Settings): the text in those scripts and their fonts come from the Quran Foundation (Quran.com); the Madinah font is the King Fahd Glorious Quran Printing Complex's Uthmanic Hafs font.

Found a mistake? Report a mistake and we will check it against the source.

Leesinstellingen

Koranlettertype
Lettergrootte Arabisch
100%
Lettergrootte vertaling
100%
Thema

Zet op beginscherm

ReadSurahOpen ReadSurah schermvullend vanaf je startscherm. Soera’s die je al hebt gelezen, openen ook zonder internet.

  1. Tik in Safari op de deelknop. Op nieuwere iPhones staat die in het •••-menu.
  2. Tik op ‘Zet op beginscherm’. Scrol omlaag als je het niet ziet.
  3. Tik op ‘Voeg toe’.