سورة الشعراء

Soera Ash-Shuara in het Nederlands

De dichters

Mushaf

Mishary Rashid AlafasyMP3 downloadenPDF downloaden

Soera Ash-Shuara (الشعراء) is de 26e soera van de Koran en telt 227 verzen. De naam betekent ‘De dichters’. Het is een Mekkaanse soera, geopenbaard in Mekka vóór de Hidjra, en ze staat in juz 19.

Op deze pagina lees je soera Ash-Shuara volledig in het Arabisch, vers voor vers met de Nederlandse vertaling van het Dutch Islamic Center en de transliteratie, en kun je naar de recitatie luisteren.

Soera Ash-Shuara volledig: Arabisch, Nederlandse vertaling en transliteratie

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَـٰنِ ٱلرَّحِيمِ

  1. طسٓمٓ۝١

    Taseenmeem

    Ta, Siem, Miem.1

    Voetnoten
    [1] Bekijk de voetnoten van vers 1 van Soera Al-Baqarah.
  2. تِلْكَ ءَايَـٰتُ ٱلْكِتَـٰبِ ٱلْمُبِينِ۝٢

    Tilka ayatu alkitabi almubeeni

    Dit zijn de verzen van een duidelijk boek.

  3. لَعَلَّكَ بَـٰخِعٌ نَّفْسَكَ أَلَّا يَكُونُوا۟ مُؤْمِنِينَ۝٣

    Laʿallaka bakhiʿun nafsaka alla yakoonoo mumineena

    Het kan zijn dat jij jezelf zult vernietigen door verdriet omdat zij geen gelovigen worden.

  4. إِن نَّشَأْ نُنَزِّلْ عَلَيْهِم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ ءَايَةً فَظَلَّتْ أَعْنَـٰقُهُمْ لَهَا خَـٰضِعِينَ۝٤

    In nasha nunazzil ʿalayhim mina alssamai ayatan fathallat aʿnaquhum laha khadiʿeena

    Als Wij gewild zouden hebben, dan hadden Wij uit de hemel een teken kunnen sturen waarvoor zij hun nekken in nederigheid zouden buigen.

  5. وَمَا يَأْتِيهِم مِّن ذِكْرٍ مِّنَ ٱلرَّحْمَـٰنِ مُحْدَثٍ إِلَّا كَانُوا۟ عَنْهُ مُعْرِضِينَ۝٥

    Wama yateehim min thikrin mina alrrahmani muhdathin illa kanoo ʿanhu muʿrideena

    En er komt van de Barmhartige geen vermaning als openbaring of zij keren zich daarvan af.

  6. فَقَدْ كَذَّبُوا۟ فَسَيَأْتِيهِمْ أَنۢبَـٰٓؤُا۟ مَا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ۝٦

    Faqad kaththaboo fasayateehim anbao ma kanoo bihi yastahzioona

    En voorzeker, zij hebben het ontkent, dus zal het nieuws waarover zij gespot hebben tot hen komen.

  7. أَوَلَمْ يَرَوْا۟ إِلَى ٱلْأَرْضِ كَمْ أَنۢبَتْنَا فِيهَا مِن كُلِّ زَوْجٍ كَرِيمٍ۝٧

    Awalam yaraw ila alardi kam anbatna feeha min kulli zawjin kareemin

    Bekijken zij de aarde dan niet – hoeveel goede soorten Wij daarop hebben laten groeien?

  8. إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝٨

    Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Waarlijk, hierin is een teken maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.

  9. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝٩

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk, jullie Heer! Hij is echt de Almachtige, de Genadevolle.

  10. وَإِذْ نَادَىٰ رَبُّكَ مُوسَىٰٓ أَنِ ٱئْتِ ٱلْقَوْمَ ٱلظَّـٰلِمِينَ۝١٠

    Waith nada rabbuka moosa ani iti alqawma alththalimeena

    En (gedenk) toen jullie Heer Moesa riep (zeggende): “Ga naar het volk dat onrechtvaardig is, -

  11. قَوْمَ فِرْعَوْنَ ۚ أَلَا يَتَّقُونَ۝١١

    Qawma firʿawna ala yattaqoona

    Het volk van Farao. Zullen zij Allah dan niet vrezen en rechtgeleid worden?”

  12. قَالَ رَبِّ إِنِّىٓ أَخَافُ أَن يُكَذِّبُونِ۝١٢

    Qala rabbi innee akhafu an yukaththibooni

    Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik vrees dat zij mij zullen verloochenen,

  13. وَيَضِيقُ صَدْرِى وَلَا يَنطَلِقُ لِسَانِى فَأَرْسِلْ إِلَىٰ هَـٰرُونَ۝١٣

    Wayadeequ sadree wala yantaliqu lisanee faarsil ila haroona

    En dat mijn borst beklemd raakt en dat mijn tong zich niet goed uit. Laat Haaroen dus komen (hier zien we het belang van een persoon die steun geeft in het geloof, zeer belangrijk voor elke moslim).

  14. وَلَهُمْ عَلَىَّ ذَنۢبٌ فَأَخَافُ أَن يَقْتُلُونِ۝١٤

    Walahum ʿalayya thanbun faakhafu an yaqtulooni

    En zij beschuldigen mij van een misdaad, en ik ben bang dat zij mij zullen doden.”

  15. قَالَ كَلَّا ۖ فَٱذْهَبَا بِـَٔايَـٰتِنَآ ۖ إِنَّا مَعَكُم مُّسْتَمِعُونَ۝١٥

    Qala kalla faithhaba biayatina inna maʿakum mustamiʿoona

    Allah zei: “Nee! Gaan jullie beiden met Onze tekenen na de Farao. Waarlijk! Wij zullen bij jullie zijn, luisterend1.

    Voetnoten
    [1]zoals eerder uitgelegd is, hoort de moslim te geloven in de Namen en Eigenschappen van Allah zonder het te verdraaien, te ontkennen, te imiteren of er een hoedanigheid aan toe te kennen.
  16. فَأْتِيَا فِرْعَوْنَ فَقُولَآ إِنَّا رَسُولُ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٦

    Fatiya firʿawna faqoola inna rasoolu rabbi alʿalameena

    En wanneer jullie beiden tot de Farao komen zeg: “Wij zijn de Boodschappers van de Heer van de werelden.

  17. أَنْ أَرْسِلْ مَعَنَا بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ۝١٧

    An arsil maʿana banee israeela

    Laat dus de Kinderen van Israël met ons mee gaan.”

  18. قَالَ أَلَمْ نُرَبِّكَ فِينَا وَلِيدًا وَلَبِثْتَ فِينَا مِنْ عُمُرِكَ سِنِينَ۝١٨

    Qala alam nurabbika feena waleedan walabithta feena min ʿumurika sineena

    (Farao) zei: “Hebben wij jou niet als kind van ons opgevoed? En jij hebt vele jaren van je leven bij ons mogen wonen.

  19. وَفَعَلْتَ فَعْلَتَكَ ٱلَّتِى فَعَلْتَ وَأَنتَ مِنَ ٱلْكَـٰفِرِينَ۝١٩

    Wafaʿalta faʿlataka allatee faʿalta waanta mina alkafireena

    En je hebt je daad gepleegd, wat je gedaan hebt. En jij bent één van de ondankbaren.”

  20. قَالَ فَعَلْتُهَآ إِذًا وَأَنَا۠ مِنَ ٱلضَّآلِّينَ۝٢٠

    Qala faʿaltuha ithan waana mina alddalleena

    Moesa zei: “Ik heb het gedaan toen ik onwetend was (voor de openbaring).

  21. فَفَرَرْتُ مِنكُمْ لَمَّا خِفْتُكُمْ فَوَهَبَ لِى رَبِّى حُكْمًا وَجَعَلَنِى مِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ۝٢١

    Fafarartu minkum lamma khiftukum fawahaba lee rabbee hukman wajaʿalanee mina almursaleena

    Dus vluchtte ik van jullie toen ik jullie vreesde. En toen heeft mijn Heer mij wijsheid geschonken en mij als één van de boodschappers aangewezen.

  22. وَتِلْكَ نِعْمَةٌ تَمُنُّهَا عَلَىَّ أَنْ عَبَّدتَّ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ۝٢٢

    Watilka niʿmatun tamunnuha ʿalayya an ʿabbadta banee israeela

    En dit is een vroegere gunst die jij mij verwijt – dat u de Kinderen van Israël tot slaven heeft gemaakt (en mij niet).”

  23. قَالَ فِرْعَوْنُ وَمَا رَبُّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝٢٣

    Qala firʿawnu wama rabbu alʿalameena

    Farao zei: “En wie is de Heer van de werelden?”

  24. قَالَ رَبُّ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَآ ۖ إِن كُنتُم مُّوقِنِينَ۝٢٤

    Qala rabbu alssamawati waalardi wama baynahuma in kuntum mooqineena

    Moesa zei: “De Heer van de hemelen en de aarde en alles wat daartussen is, indien jullie overtuigd zijn.”

  25. قَالَ لِمَنْ حَوْلَهُۥٓ أَلَا تَسْتَمِعُونَ۝٢٥

    Qala liman hawlahu ala tastamiʿoona

    Farao zei tegen degenen om hem heen: “Horen jullie niet (wat hij zegt)?”

  26. قَالَ رَبُّكُمْ وَرَبُّ ءَابَآئِكُمُ ٱلْأَوَّلِينَ۝٢٦

    Qala rabbukum warabbu abaikumu alawwaleena

    Moesa zei: “Jullie Heer en de Heer van jullie voorvaderen!”

  27. قَالَ إِنَّ رَسُولَكُمُ ٱلَّذِىٓ أُرْسِلَ إِلَيْكُمْ لَمَجْنُونٌ۝٢٧

    Qala inna rasoolakumu allathee orsila ilaykum lamajnoonun

    Farao zei: “Waarlijk, jullie boodschapper die naar jullie toe is gestuurd is een dwaas!”

  28. قَالَ رَبُّ ٱلْمَشْرِقِ وَٱلْمَغْرِبِ وَمَا بَيْنَهُمَآ ۖ إِن كُنتُمْ تَعْقِلُونَ۝٢٨

    Qala rabbu almashriqi waalmaghribi wama baynahuma in kuntum taʿqiloona

    Moesa zei: “De Heer van het oosten en het westen en alles wat daar tussen is, als jullie dat kunnen begrijpen.”

  29. قَالَ لَئِنِ ٱتَّخَذْتَ إِلَـٰهًا غَيْرِى لَأَجْعَلَنَّكَ مِنَ ٱلْمَسْجُونِينَ۝٢٩

    Qala laini ittakhathta ilahan ghayree laajʿalannaka mina almasjooneena

    Farao zei: “Als je een god anders dan mij kiest, zal ik je zeker onder de gevangenen plaatsen.”

  30. قَالَ أَوَلَوْ جِئْتُكَ بِشَىْءٍ مُّبِينٍ۝٣٠

    Qala awalaw jituka bishayin mubeenin

    Moesa zei: “En als ik je iets duidelijks breng (een teken).”

  31. قَالَ فَأْتِ بِهِۦٓ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّـٰدِقِينَ۝٣١

    Qala fati bihi in kunta mina alssadiqeena

    Farao zei: “Breng het dan, als je waarachtig bent!”

  32. فَأَلْقَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِىَ ثُعْبَانٌ مُّبِينٌ۝٣٢

    Faalqa ʿasahu faitha hiya thuʿbanun mubeenun

    Dus gooide (Moesa) zijn stok en zie, het was een duidelijke slang.

  33. وَنَزَعَ يَدَهُۥ فَإِذَا هِىَ بَيْضَآءُ لِلنَّـٰظِرِينَ۝٣٣

    Wanazaʿa yadahu faitha hiya baydao lilnnathireena

    En hij stak zijn hand uit en zie, voor alle toeschouwers was het wit!

  34. قَالَ لِلْمَلَإِ حَوْلَهُۥٓ إِنَّ هَـٰذَا لَسَـٰحِرٌ عَلِيمٌ۝٣٤

    Qala lilmalai hawlahu inna hatha lasahirun ʿaleemun

    (Farao) zei tegen de gezagdragers om hem heen: “Waarlijk! Dit is inderdaad een goed onderrichte tovenaar.

  35. يُرِيدُ أَن يُخْرِجَكُم مِّنْ أَرْضِكُم بِسِحْرِهِۦ فَمَاذَا تَأْمُرُونَ۝٣٥

    Yureedu an yukhrijakum min ardikum bisihrihi famatha tamuroona

    Hij wil jullie door zijn toverkunst uit jullie land verdrijven, wat is dan jullie raad en wat bevelen jullie aan?”

  36. قَالُوٓا۟ أَرْجِهْ وَأَخَاهُ وَٱبْعَثْ فِى ٱلْمَدَآئِنِ حَـٰشِرِينَ۝٣٦

    Qaloo arjih waakhahu waibʿath fee almadaini hashireena

    Zij zeiden: “Geef hem en zijn broer uitstel en stuur boodschappers naar de steden;

  37. يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَحَّارٍ عَلِيمٍ۝٣٧

    Yatooka bikulli sahharin ʿaleemin

    Om uw best getrainde tovenaars te verzamelen.”

  38. فَجُمِعَ ٱلسَّحَرَةُ لِمِيقَـٰتِ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ۝٣٨

    Fajumiʿa alssaharatu limeeqati yawmin maʿloomin

    Dus werden de tovenaars op een vastgestelde tijd op een aangewezen dag verzameld.

  39. وَقِيلَ لِلنَّاسِ هَلْ أَنتُم مُّجْتَمِعُونَ۝٣٩

    Waqeela lilnnasi hal antum mujtamiʿoona

    En er werd tegen het volk gezegd: “Verzamelen jullie je (ook)?

  40. لَعَلَّنَا نَتَّبِعُ ٱلسَّحَرَةَ إِن كَانُوا۟ هُمُ ٱلْغَـٰلِبِينَ۝٤٠

    Laʿallana nattabiʿu alssaharata in kanoo humu alghalibeena

    Zodat wij de tovenaars kunnen volgen als zij de winnaars zullen zijn.”

  41. فَلَمَّا جَآءَ ٱلسَّحَرَةُ قَالُوا۟ لِفِرْعَوْنَ أَئِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِن كُنَّا نَحْنُ ٱلْغَـٰلِبِينَ۝٤١

    Falamma jaa alssaharatu qaloo lifirʿawna ainna lana laajran in kunna nahnu alghalibeena

    Toen de tovenaars dus aankwamen zeiden zij tegen Farao: “Zal er echt een beloning voor ons zijn als wij de winnaars zijn?”

  42. قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ إِذًا لَّمِنَ ٱلْمُقَرَّبِينَ۝٤٢

    Qala naʿam wainnakum ithan lamina almuqarrabeena

    Hij zei: “Ja, en jullie zullen zeker tot degenen behoren die in (mijn) nabijheid worden gebracht.”

  43. قَالَ لَهُم مُّوسَىٰٓ أَلْقُوا۟ مَآ أَنتُم مُّلْقُونَ۝٤٣

    Qala lahum moosa alqoo ma antum mulqoona

    Moesa zei tegen hen: “Gooien jullie wat jullie zullen gooien.”

  44. فَأَلْقَوْا۟ حِبَالَهُمْ وَعِصِيَّهُمْ وَقَالُوا۟ بِعِزَّةِ فِرْعَوْنَ إِنَّا لَنَحْنُ ٱلْغَـٰلِبُونَ۝٤٤

    Faalqaw hibalahum waʿisiyyahum waqaloo biʿizzati firʿawna inna lanahnu alghaliboona

    Dus gooiden zij hun touwen en stokken en zeiden: “Bij de macht van de Farao, wij zijn het die zeker zullen winnen!”

  45. فَأَلْقَىٰ مُوسَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِىَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ۝٤٥

    Faalqa moosa ʿasahu faitha hiya talqafu ma yafikoona

    Toen gooide Moesa zijn stok en zie, het slikte alle valsheid wat zij lieten zien, door!

  46. فَأُلْقِىَ ٱلسَّحَرَةُ سَـٰجِدِينَ۝٤٦

    Faolqiya alssaharatu sajideena

    En de tovenaars wierpen zich ter aarde (uit grootheid voor Allah toen zij beseften dat zij fout waren)

  47. قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا بِرَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝٤٧

    Qaloo amanna birabbi alʿalameena

    Zegende: “Wij geloven in de Heer van de werelden.

  48. رَبِّ مُوسَىٰ وَهَـٰرُونَ۝٤٨

    Rabbi moosa waharoona

    De Heer van Moesa en Haaroen.”

  49. قَالَ ءَامَنتُمْ لَهُۥ قَبْلَ أَنْ ءَاذَنَ لَكُمْ ۖ إِنَّهُۥ لَكَبِيرُكُمُ ٱلَّذِى عَلَّمَكُمُ ٱلسِّحْرَ فَلَسَوْفَ تَعْلَمُونَ ۚ لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُم مِّنْ خِلَـٰفٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ۝٤٩

    Qala amantum lahu qabla an athana lakum innahu lakabeerukumu allathee ʿallamakumu alssihra falasawfa taʿlamoona laoqattiʿanna aydiyakum waarjulakum min khilafin walaosallibannakum ajmaʿeena

    (Farao) zei: “Jullie hebben in Hem geloofd voordat ik jullie daarvoor toestemming gaf. Zeker Hij is inderdaad jullie meester die jullie jullie toverkunsten heeft onderricht! Dus waarlijk, jullie zullen het te weten komen. Waarlijk, ik zal jullie handen en voeten van tegengestelde kanten afhakken en ik zal jullie allemaal kruisigen.”

  50. قَالُوا۟ لَا ضَيْرَ ۖ إِنَّآ إِلَىٰ رَبِّنَا مُنقَلِبُونَ۝٥٠

    Qaloo la dayra inna ila rabbina munqaliboona

    Zij zeiden: “Geen punt? Waarlijk tot onze Heer zullen wij terugkeren;

  51. إِنَّا نَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطَـٰيَـٰنَآ أَن كُنَّآ أَوَّلَ ٱلْمُؤْمِنِينَ۝٥١

    Inna natmaʿu an yaghfira lana rabbuna khatayana an kunna awwala almumineena

    Waarlijk, wij hopen echt dat onze Heer onze zonden zal vergeven want wij zijn de eerste van de gelovigen.”

  52. ۞ وَأَوْحَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰٓ أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِىٓ إِنَّكُم مُّتَّبَعُونَ۝٥٢

    Waawhayna ila moosa an asri biʿibadee innakum muttabaʿoona

    En Wij openbaarden aan Moesa, zeggende: “Neem Mijn slaven in de nacht weg, waarlijk jullie zullen vervolgd worden.”

  53. فَأَرْسَلَ فِرْعَوْنُ فِى ٱلْمَدَآئِنِ حَـٰشِرِينَ۝٥٣

    Faarsala firʿawnu fee almadaini hashireena

    Toen stuurde Farao boodschappers naar (alle) steden (om zijn leger te verzamelen).

  54. إِنَّ هَـٰٓؤُلَآءِ لَشِرْذِمَةٌ قَلِيلُونَ۝٥٤

    Inna haolai lashirthimatun qaleeloona

    (Zeggende): “Waarlijk! Dit is zeker niet anders dan een kleine groep.

  55. وَإِنَّهُمْ لَنَا لَغَآئِظُونَ۝٥٥

    Wainnahum lana laghaithoona

    En waarlijk, zij hebben gedaan wat ons woedend heeft gemaakt;

  56. وَإِنَّا لَجَمِيعٌ حَـٰذِرُونَ۝٥٦

    Wainna lajameeʿun hathiroona

    En wij zijn een goed bewapend, vooruit gewaarschuwd leger.”

  57. فَأَخْرَجْنَـٰهُم مِّن جَنَّـٰتٍ وَعُيُونٍ۝٥٧

    Faakhrajnahum min jannatin waʿuyoonin

    Dus hebben Wij hen van de tuinen en de bronnen verbannen,

  58. وَكُنُوزٍ وَمَقَامٍ كَرِيمٍ۝٥٨

    Wakunoozin wamaqamin kareemin

    En schatten en alle soorten edele plaatsen.

  59. كَذَٰلِكَ وَأَوْرَثْنَـٰهَا بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ۝٥٩

    Kathalika waawrathnaha banee israeela

    En zo lieten Wij de Kinderen van Israël het beërven.

  60. فَأَتْبَعُوهُم مُّشْرِقِينَ۝٦٠

    Faatbaʿoohum mushriqeena

    Dus vervolgden zij hen bij de zonsopkomst.

  61. فَلَمَّا تَرَٰٓءَا ٱلْجَمْعَانِ قَالَ أَصْحَـٰبُ مُوسَىٰٓ إِنَّا لَمُدْرَكُونَ۝٦١

    Falamma taraa aljamʿani qala ashabu moosa inna lamudrakoona

    En toen de twee groepen elkaar zagen, zei het volk van Moesa: “Wij zijn zeker dat wij ingehaald worden.”

  62. قَالَ كَلَّآ ۖ إِنَّ مَعِىَ رَبِّى سَيَهْدِينِ۝٦٢

    Qala kalla inna maʿiya rabbee sayahdeeni

    “Welnee (zei Moesa)! Waarlijk, mijn Heer is met mij (en het is) Hij Die mij zal leiden (naar het pad van de bevrijding).”

  63. فَأَوْحَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰٓ أَنِ ٱضْرِب بِّعَصَاكَ ٱلْبَحْرَ ۖ فَٱنفَلَقَ فَكَانَ كُلُّ فِرْقٍ كَٱلطَّوْدِ ٱلْعَظِيمِ۝٦٣

    Faawhayna ila moosa ani idrib biʿasaka albahra fainfalaqa fakana kullu firqin kaalttawdi alʿatheemi

    Toen openbaarden Wij aan Moesa (zeggende): “Sla met jouw stok tegen de zee.” En het spleet en ieder afzonderlijk deel werd als een grote stevige massa van een berg.

  64. وَأَزْلَفْنَا ثَمَّ ٱلْـَٔاخَرِينَ۝٦٤

    Waazlafna thamma alakhareena

    En vervolgens brachten Wij de anderen nabij.

  65. وَأَنجَيْنَا مُوسَىٰ وَمَن مَّعَهُۥٓ أَجْمَعِينَ۝٦٥

    Waanjayna moosa waman maʿahu ajmaʿeena

    En Wij redden Moesa en ieder die bij hem waren.

  66. ثُمَّ أَغْرَقْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ۝٦٦

    Thumma aghraqna alakhareena

    Toen verdronken Wij de anderen.

  67. إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝٦٧

    Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Waarlijk! Hierin is zeker een teken maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.

  68. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝٦٨

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk, jullie Heer! Hij is waarlijk de Almachtige, de Genadevolle.

  69. وَٱتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ إِبْرَٰهِيمَ۝٦٩

    Waotlu ʿalayhim nabaa ibraheema

    En reciteer aan hen het verhaal van Ibraahiem.

  70. إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِۦ مَا تَعْبُدُونَ۝٧٠

    Ith qala liabeehi waqawmihi ma taʿbudoona

    Toen hij tegen zijn vader en zijn volk zei: “Wie aanbidden jullie?”

  71. قَالُوا۟ نَعْبُدُ أَصْنَامًا فَنَظَلُّ لَهَا عَـٰكِفِينَ۝٧١

    Qaloo naʿbudu asnaman fanathallu laha ʿakifeena

    Zij zeiden: “Wij aanbidden afgoden en aan hen zijn wij altijd toegewijd.”

  72. قَالَ هَلْ يَسْمَعُونَكُمْ إِذْ تَدْعُونَ۝٧٢

    Qala hal yasmaʿoonakum ith tadʿoona

    Hij zei: “Horen zij jullie als jullie (hen) aanroepen?”

  73. أَوْ يَنفَعُونَكُمْ أَوْ يَضُرُّونَ۝٧٣

    Aw yanfaʿoonakum aw yadurroona

    Of hebben jullie er baat bij of schaden zij (jullie)?”

  74. قَالُوا۟ بَلْ وَجَدْنَآ ءَابَآءَنَا كَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ۝٧٤

    Qaloo bal wajadna abaana kathalika yafʿaloona

    Zij zeiden: “Nee, maar onze vaders deden het ook.”

  75. قَالَ أَفَرَءَيْتُم مَّا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ۝٧٥

    Qala afaraaytum ma kuntum taʿbudoona

    Hij zei: “Hebben jullie datgene wat jullie aanbidden goed bekeken, -

  76. أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُمُ ٱلْأَقْدَمُونَ۝٧٦

    Antum waabaokumu alaqdamoona

    Jullie en jullie voorvaders?”

  77. فَإِنَّهُمْ عَدُوٌّ لِّىٓ إِلَّا رَبَّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝٧٧

    Fainnahum ʿaduwwun lee illa rabba alʿalameena

    Waarlijk! (Al datgene zij buiten Allah aanbidden) zijn vijanden van mij behalve de heer van de werelden.

  78. ٱلَّذِى خَلَقَنِى فَهُوَ يَهْدِينِ۝٧٨

    Allathee khalaqanee fahuwa yahdeeni

    Degene die mij (in de beste vorm) heeft geschapen, en het is (enkel) Hij Die mij leidt (naar een bewustzijn van het pad der goedheid).

  79. وَٱلَّذِى هُوَ يُطْعِمُنِى وَيَسْقِينِ۝٧٩

    Waallathee huwa yutʿimunee wayasqeeni

    En het is Hij (de Voorziener en Begunstiger) Die mij te eten en te drinken geeft.

  80. وَإِذَا مَرِضْتُ فَهُوَ يَشْفِينِ۝٨٠

    Waitha maridtu fahuwa yashfeeni

    En als ik ziek ben, is het (niemand anders dan) Hij Die mij geneest (van ziektes zowel geestelijk als lichamelijk en de ziektes van het hart).

  81. وَٱلَّذِى يُمِيتُنِى ثُمَّ يُحْيِينِ۝٨١

    Waallathee yumeetunee thumma yuhyeeni

    En (het is Hij) Die mij laat sterven (zodra mijn tijd erop zit), en mij vervolgens levend (uit mijn graf) doet herrijzen.

  82. وَٱلَّذِىٓ أَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لِى خَطِيٓـَٔتِى يَوْمَ ٱلدِّينِ۝٨٢

    Waallathee atmaʿu an yaghfira lee khateeatee yawma alddeeni

    Degene waar ik op hoop dat hij mijn fouten op de Dag der Vergoeding vergeeft.

  83. رَبِّ هَبْ لِى حُكْمًا وَأَلْحِقْنِى بِٱلصَّـٰلِحِينَ۝٨٣

    Rabbi hab lee hukman waalhiqnee bialssaliheena

    Mijn Heer! Geef mij wijsheid en voeg mij bij de rechtvaardigen;

  84. وَٱجْعَل لِّى لِسَانَ صِدْقٍ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ۝٨٤

    Waijʿal lee lisana sidqin fee alakhireena

    En laat mij door de volgende generaties in eerbaarheid herinnerd worden;

  85. وَٱجْعَلْنِى مِن وَرَثَةِ جَنَّةِ ٱلنَّعِيمِ۝٨٥

    Waijʿalnee min warathati jannati alnnaʿeemi

    En maakt mij tot de beërfers van het paradijs van de vreugde.

  86. وَٱغْفِرْ لِأَبِىٓ إِنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلضَّآلِّينَ۝٨٦

    Waighfir liabee innahu kana mina alddalleena

    En vergeef mijn vader, waarlijk hij behoort tot degenen die dwalend zijn;

  87. وَلَا تُخْزِنِى يَوْمَ يُبْعَثُونَ۝٨٧

    Wala tukhzinee yawma yubʿathoona

    En verneder mij niet op de Dag wanneer (alle schepselen) zullen herrijzen,-

  88. يَوْمَ لَا يَنفَعُ مَالٌ وَلَا بَنُونَ۝٨٨

    Yawma la yanfaʿu malun wala banoona

    De Dag waarop noch weelde noch zonen zullen baten.

  89. إِلَّا مَنْ أَتَى ٱللَّهَ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ۝٨٩

    Illa man ata Allaha biqalbin saleemin

    Behalve degene die bij Allah aankomt met een gezond hart.

  90. وَأُزْلِفَتِ ٱلْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ۝٩٠

    Waozlifati aljannatu lilmuttaqeena

    En het paradijs zal in de nabijheid van de godvrezenden gebracht worden.

  91. وَبُرِّزَتِ ٱلْجَحِيمُ لِلْغَاوِينَ۝٩١

    Waburrizati aljaheemu lilghaweena

    En het (helle) vuur zal in het volle aangezicht van de dwalenden geplaatst worden.”

  92. وَقِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ۝٩٢

    Waqeela lahum ayna ma kuntum taʿbudoona

    En er zal tegen hen gezegd worden: “Waar zijn zij die jullie aanbaden,

  93. مِن دُونِ ٱللَّهِ هَلْ يَنصُرُونَكُمْ أَوْ يَنتَصِرُونَ۝٩٣

    Min dooni Allahi hal yansuroonakum aw yantasiroona

    Behalve Allah? Kunnen zij jullie helpen of zichzelf helpen?”

  94. فَكُبْكِبُوا۟ فِيهَا هُمْ وَٱلْغَاوُۥنَ۝٩٤

    Fakubkiboo feeha hum waalghawoona

    Dan zullen zij op hun gezichten in het (vuur) geworpen worden – Zij en de duivels en degenen die zondigden.

  95. وَجُنُودُ إِبْلِيسَ أَجْمَعُونَ۝٩٥

    Wajunoodu ibleesa ajmaʿoona

    En samen met het hele leger van Iblies.

  96. قَالُوا۟ وَهُمْ فِيهَا يَخْتَصِمُونَ۝٩٦

    Qaloo wahum feeha yakhtasimoona

    Zij zullen zeggen terwijl zij twisten,

  97. تَٱللَّهِ إِن كُنَّا لَفِى ضَلَـٰلٍ مُّبِينٍ۝٩٧

    TaAllahi in kunna lafee dalalin mubeenin

    “Bij Allah, wij hebben zeker een duidelijke dwaling gemaakt (in ons leven).

  98. إِذْ نُسَوِّيكُم بِرَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝٩٨

    Ith nusawweekum birabbi alʿalameena

    Toen wij jullie (valse goden) gelijk aan de Heer van de wereldwezens stelden1.

    Voetnoten
    [1]en dat kan van alles zijn, jouw eigen nafs, jouw geld, jouw macht ect.
  99. وَمَآ أَضَلَّنَآ إِلَّا ٱلْمُجْرِمُونَ۝٩٩

    Wama adallana illa almujrimoona

    En niemand heeft ons doen afdwalen behalve de misdadigers (neem daarom een vriend die jou steun geeft op de weg naar Allah).

  100. فَمَا لَنَا مِن شَـٰفِعِينَ۝١٠٠

    Fama lana min shafiʿeena

    Nu hebben wij geen bemiddelaars,

  101. وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٍ۝١٠١

    Wala sadeeqin hameemin

    Noch een naaste vriend.

  102. فَلَوْ أَنَّ لَنَا كَرَّةً فَنَكُونَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ۝١٠٢

    Falaw anna lana karratan fanakoona mina almumineena

    (Helaas!) Als wij slechts een kans hadden om terug te keren, zullen wij zeker onder de gelovigen zijn!

  103. إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝١٠٣

    Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Waarlijk, hierin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.

  104. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝١٠٤

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk, jouw Heer! Hij is waarlijk de Almachtige, de Genadevolle.

  105. كَذَّبَتْ قَوْمُ نُوحٍ ٱلْمُرْسَلِينَ۝١٠٥

    Kaththabat qawmu noohin almursaleena

    Het volk van Noeh verloochende de Boodschappers.

  106. إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ نُوحٌ أَلَا تَتَّقُونَ۝١٠٦

    Ith qala lahum akhoohum noohun ala tattaqoona

    Toen hun broeder Noeh tegen hen zei: “Zullen jullie Allah niet vrezen en Hem gehoorzamen?

  107. إِنِّى لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ۝١٠٧

    Innee lakum rasoolun ameenun

    Ik ben voor jullie een betrouwbare boodschapper.

  108. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١٠٨

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.

  109. وَمَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٠٩

    Wama asalukum ʿalayhi min ajrin in ajriya illa ʿala rabbi alʿalameena

    Ik vraag jullie hiervoor geen beloning, mijn beloning is slechts van de Heer van de werelden.

  110. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١١٠

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    (Onderhoud jullie verplichting tot Allah), vrees Hem en gehoorzaam mij.”

  111. ۞ قَالُوٓا۟ أَنُؤْمِنُ لَكَ وَٱتَّبَعَكَ ٱلْأَرْذَلُونَ۝١١١

    Qaloo anuminu laka waittabaʿaka alarthaloona

    Zij zeiden: “Zullen wij jou geloven terwijl de laagste mensen jou volgen?”

  112. قَالَ وَمَا عِلْمِى بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ۝١١٢

    Qala wama ʿilmee bima kanoo yaʿmaloona

    Hij zei: “En wat voor kennis heb ik over dat wat zij deden?”

  113. إِنْ حِسَابُهُمْ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّى ۖ لَوْ تَشْعُرُونَ۝١١٣

    In hisabuhum illa ʿala rabbee law tashʿuroona

    Hun verrekening is slechts bij mijn Heer, als jullie dat (maar) wisten.

  114. وَمَآ أَنَا۠ بِطَارِدِ ٱلْمُؤْمِنِينَ۝١١٤

    Wama ana bitaridi almumineena

    En ik ben niet van plan de gelovigen te verjagen.

  115. إِنْ أَنَا۠ إِلَّا نَذِيرٌ مُّبِينٌ۝١١٥

    In ana illa natheerun mubeenun

    Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer.”

  116. قَالُوا۟ لَئِن لَّمْ تَنتَهِ يَـٰنُوحُ لَتَكُونَنَّ مِنَ ٱلْمَرْجُومِينَ۝١١٦

    Qaloo lain lam tantahi ya noohu latakoonanna mina almarjoomeena

    Zij zeiden: “Als jij niet stopt, Noeh. Dan zou je je zeker onder degenen die gestenigd zijn, bevinden.”

  117. قَالَ رَبِّ إِنَّ قَوْمِى كَذَّبُونِ۝١١٧

    Qala rabbi inna qawmee kaththabooni

    Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, mijn volk heeft mij verloochend.

  118. فَٱفْتَحْ بَيْنِى وَبَيْنَهُمْ فَتْحًا وَنَجِّنِى وَمَن مَّعِىَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ۝١١٨

    Faiftah baynee wabaynahum fathan wanajjinee waman maʿiya mina almumineena

    Oordeelt U daarom tussen hen en mij en red mij en degenen van de gelovigen die met mij zijn.”

  119. فَأَنجَيْنَـٰهُ وَمَن مَّعَهُۥ فِى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ۝١١٩

    Faanjaynahu waman maʿahu fee alfulki almashhooni

    Vervolgens redden wij hem en degenen die bij hem waren in een volgeladen schip.

  120. ثُمَّ أَغْرَقْنَا بَعْدُ ٱلْبَاقِينَ۝١٢٠

    Thumma aghraqna baʿdu albaqeena

    Toen verdronken Wij de anderen nadat degenen die achter bleven gered waren.

  121. إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝١٢١

    Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Waarlijk, hierin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.

  122. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝١٢٢

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.

  123. كَذَّبَتْ عَادٌ ٱلْمُرْسَلِينَ۝١٢٣

    Kaththabat ʿadun almursaleena

    Het volk van ‘Ad verloochende de boodschappers.

  124. إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ هُودٌ أَلَا تَتَّقُونَ۝١٢٤

    Ith qala lahum akhoohum hoodun ala tattaqoona

    Toen hun broeder Hoed tegen hen zei: “Zullen jullie Allah niet vrezen en Hem gehoorzamen?”

  125. إِنِّى لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ۝١٢٥

    Innee lakum rasoolun ameenun

    Waarlijk, ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie.

  126. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١٢٦

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.

  127. وَمَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٢٧

    Wama asalukum ʿalayhi min ajrin in ajriya illa ʿala rabbi alʿalameena

    Ik vraag van jullie geen beloning voor. Mijn beloning is slechts van de Heer van de werelden.

  128. أَتَبْنُونَ بِكُلِّ رِيعٍ ءَايَةً تَعْبَثُونَ۝١٢٨

    Atabnoona bikulli reeʿin ayatan taʿbathoona

    Bouwen jullie op elke hoge plaats paleizen zonder doel?

  129. وَتَتَّخِذُونَ مَصَانِعَ لَعَلَّكُمْ تَخْلُدُونَ۝١٢٩

    Watattakhithoona masaniʿa laʿallakum takhludoona

    En nemen jullie voor jullie zelf paleizen alsof jullie daar voor altijd in zullen wonen.

  130. وَإِذَا بَطَشْتُم بَطَشْتُمْ جَبَّارِينَ۝١٣٠

    Waitha batashtum batashtum jabbareena

    En als jullie grijpen, grijpen jullie als tirannen?

  131. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١٣١

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.

  132. وَٱتَّقُوا۟ ٱلَّذِىٓ أَمَدَّكُم بِمَا تَعْلَمُونَ۝١٣٢

    Waittaqoo allathee amaddakum bima taʿlamoona

    vrees degene Die jullie geholpen heeft met alle (goede zaken) die jullie kennen.

  133. أَمَدَّكُم بِأَنْعَـٰمٍ وَبَنِينَ۝١٣٣

    Amaddakum bianʿamin wabaneena

    Hij heeft jullie versterkt met vee en kinderen (waarom dan ondankbaar?).

  134. وَجَنَّـٰتٍ وَعُيُونٍ۝١٣٤

    Wajannatin waʿuyoonin

    En tuinen en bronnen.

  135. إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ۝١٣٥

    Innee akhafu ʿalaykum ʿathaba yawmin ʿatheemin

    Waarlijk, ik vrees voor jullie voor de bestraffing van een Grote Dag.”

  136. قَالُوا۟ سَوَآءٌ عَلَيْنَآ أَوَعَظْتَ أَمْ لَمْ تَكُن مِّنَ ٱلْوَٰعِظِينَ۝١٣٦

    Qaloo sawaon ʿalayna awaʿathta am lam takun mina alwaʿitheena

    Zij zeiden: “Het maakt ons niet uit of jij preekt of niet tot degenen die preken behoort.

  137. إِنْ هَـٰذَآ إِلَّا خُلُقُ ٱلْأَوَّلِينَ۝١٣٧

    In hatha illa khuluqu alawwaleena

    Dit is niets anders dan de gewoonte van de ouderen van vroeger.1

    Voetnoten
    [1] Dit soort uitspraken worden nog steeds gedaan. Een voorbeeld hiervan is dat er wordt gezegd dat de hidjaab niet verplicht is voor de vrouw, maar een gewoonte van vroeger is. Men dient uit te kijken voor deze afdwaling.
  138. وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ۝١٣٨

    Wama nahnu bimuʿaththabeena

    En wij zullen niet gestraft worden.”

  139. فَكَذَّبُوهُ فَأَهْلَكْنَـٰهُمْ ۗ إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝١٣٩

    Fakaththaboohu faahlaknahum inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Dus verloochenden zij hem en Wij vernietigenden hen. Waarlijk! Hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

  140. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝١٤٠

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.

  141. كَذَّبَتْ ثَمُودُ ٱلْمُرْسَلِينَ۝١٤١

    Kaththabat thamoodu almursaleena

    (Het volk van) Thamoed verloochenden de Boodschappers.

  142. إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ صَـٰلِحٌ أَلَا تَتَّقُونَ۝١٤٢

    Ith qala lahum akhoohum salihun ala tattaqoona

    Toen hun broeder Saleh tot hen zei: “Zullen jullie Allah niet vrezen en Hem gehoorzamen?”

  143. إِنِّى لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ۝١٤٣

    Innee lakum rasoolun ameenun

    Ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie.

  144. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١٤٤

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.

  145. وَمَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٤٥

    Wama asalukum ʿalayhi min ajrin in ajriya illa ʿala rabbi alʿalameena

    Ik vraag van jullie geen beloning voor, mijn beloning is slechts van de Heer van de werelden.

  146. أَتُتْرَكُونَ فِى مَا هَـٰهُنَآ ءَامِنِينَ۝١٤٦

    Atutrakoona fee ma hahuna amineena

    Zijn jullie niet veilig achtergelaten met wat jullie hier hebben?

  147. فِى جَنَّـٰتٍ وَعُيُونٍ۝١٤٧

    Fee jannatin waʿuyoonin

    In tuinen en bronnen

  148. وَزُرُوعٍ وَنَخْلٍ طَلْعُهَا هَضِيمٌ۝١٤٨

    Wazurooʿin wanakhlin talʿuha hadeemun

    En korenvelden en dadelpalmen met zachte bloeikolf.

  149. وَتَنْحِتُونَ مِنَ ٱلْجِبَالِ بُيُوتًا فَـٰرِهِينَ۝١٤٩

    Watanhitoona mina aljibali buyootan fariheena

    En jullie hakken met grote vaardigheid huizen uit bergen.

  150. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١٥٠

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.

  151. وَلَا تُطِيعُوٓا۟ أَمْرَ ٱلْمُسْرِفِينَ۝١٥١

    Wala tuteeʿoo amra almusrifeena

    En volg niet het bevel van de buitensporigen.

  152. ٱلَّذِينَ يُفْسِدُونَ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ۝١٥٢

    Allatheena yufsidoona fee alardi wala yuslihoona

    Die verderf in het land veroorzaken en het niet herstellen.”

  153. قَالُوٓا۟ إِنَّمَآ أَنتَ مِنَ ٱلْمُسَحَّرِينَ۝١٥٣

    Qaloo innama anta mina almusahhareena

    Zij zeiden: “Jij ben slechts één die behekst is!

  154. مَآ أَنتَ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا فَأْتِ بِـَٔايَةٍ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّـٰدِقِينَ۝١٥٤

    Ma anta illa basharun mithluna fati biayatin in kunta mina alssadiqeena

    Jij bent niets anders dan een mens zoals wij. Geef ons dan een teken als je tot de waarachtige behoort.”

  155. قَالَ هَـٰذِهِۦ نَاقَةٌ لَّهَا شِرْبٌ وَلَكُمْ شِرْبُ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ۝١٥٥

    Qala hathihi naqatun laha shirbun walakum shirbu yawmin maʿloomin

    Hij zei: “Hier is een kamelin; zij heeft het recht om (water) te drinken, en jullie hebben het recht om (water) te drinken, (ieder) op een dag die bekend is.

  156. وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوٓءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابُ يَوْمٍ عَظِيمٍ۝١٥٦

    Wala tamassooha bisooin fayakhuthakum ʿathabu yawmin ʿatheemin

    Raak haar niet aan om haar te kwetsen opdat jullie niet door de bestraffing op de Grote Dag gegrepen worden.”

  157. فَعَقَرُوهَا فَأَصْبَحُوا۟ نَـٰدِمِينَ۝١٥٧

    Faʿaqarooha faasbahoo nadimeena

    Maar zij slachtten haar en toen kregen zij spijt (door de straf die daardoor kwam).

  158. فَأَخَذَهُمُ ٱلْعَذَابُ ۗ إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝١٥٨

    Faakhathahumu alʿathabu inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Dus de bestraffing kwam over hen. Waarlijk, hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

  159. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝١٥٩

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk! Jouw Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.

  160. كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ ٱلْمُرْسَلِينَ۝١٦٠

    Kaththabat qawmu lootin almursaleena

    Het volk van Loet verloochende de boodschappers.

  161. إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ لُوطٌ أَلَا تَتَّقُونَ۝١٦١

    Ith qala lahum akhoohum lootun ala tattaqoona

    Toen hun broeder Loet tegen hen zei: “Vrezen jullie Allah dan niet?

  162. إِنِّى لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ۝١٦٢

    Innee lakum rasoolun ameenun

    Waarlijk! Ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper.

  163. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١٦٣

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.

  164. وَمَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٦٤

    Wama asalukum ʿalayhi min ajrin in ajriya illa ʿala rabbi alʿalameena

    Ik vraag jullie hier geen beloning voor, mijn beloning is slecht bij de Heer van de werelden.

  165. أَتَأْتُونَ ٱلذُّكْرَانَ مِنَ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٦٥

    Atatoona alththukrana mina alʿalameena

    Benaderen jullie de mannen van de werelden1.

    Voetnoten
    [1]door het hebben van overspel maar dan door mannen met elkaar.
  166. وَتَذَرُونَ مَا خَلَقَ لَكُمْ رَبُّكُم مِّنْ أَزْوَٰجِكُم ۚ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ عَادُونَ۝١٦٦

    Watatharoona ma khalaqa lakum rabbukum min azwajikum bal antum qawmun ʿadoona

    En laten jullie degenen die Allah voor jullie als echtgenotes geschapen heeft (links liggen)? Welnee, jullie zijn een overtredend volk!"

  167. قَالُوا۟ لَئِن لَّمْ تَنتَهِ يَـٰلُوطُ لَتَكُونَنَّ مِنَ ٱلْمُخْرَجِينَ۝١٦٧

    Qaloo lain lam tantahi ya lootu latakoonanna mina almukhrajeena

    Zij zeiden: “Als je niet stopt, O Loet! Waarlijk, dan zul jij zeker behoren tot één van degenen die verdreven zullen worden!”

  168. قَالَ إِنِّى لِعَمَلِكُم مِّنَ ٱلْقَالِينَ۝١٦٨

    Qala innee liʿamalikum mina alqaleena

    Hij zei: “Ik ben zeker één van degenen die jullie (kwade) daad van (sodomie) verwerpt.

  169. رَبِّ نَجِّنِى وَأَهْلِى مِمَّا يَعْمَلُونَ۝١٦٩

    Rabbi najjinee waahlee mimma yaʿmaloona

    Mijn Heer! Red mij en mijn familie tegen wat zij doen.”

  170. فَنَجَّيْنَـٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ أَجْمَعِينَ۝١٧٠

    Fanajjaynahu waahlahu ajmaʿeena

    Dus redden Wij hem en zijn familie, allen, -

  171. إِلَّا عَجُوزًا فِى ٱلْغَـٰبِرِينَ۝١٧١

    Illa ʿajoozan fee alghabireena

    Behalve een oude vrouw (de vrouw van Loet) onder degenen die achterbleven.

  172. ثُمَّ دَمَّرْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ۝١٧٢

    Thumma dammarna alakhareena

    Hierna vernietigden Wij de anderen.

  173. وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِم مَّطَرًا ۖ فَسَآءَ مَطَرُ ٱلْمُنذَرِينَ۝١٧٣

    Waamtarna ʿalayhim mataran fasaa mataru almunthareena

    En Wij lieten op hen een regen vallen (van stenen). En hoe kwaad was de regen van degenen die gewaarschuwd waren.

  174. إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝١٧٤

    Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Waarlijk, hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

  175. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝١٧٥

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.

  176. كَذَّبَ أَصْحَـٰبُ لْـَٔيْكَةِ ٱلْمُرْسَلِينَ۝١٧٦

    Kaththaba ashabu alaykati almursaleena

    De bewoners van Al-Aiyka verloochenden hun boodschappers.

  177. إِذْ قَالَ لَهُمْ شُعَيْبٌ أَلَا تَتَّقُونَ۝١٧٧

    Ith qala lahum shuʿaybun ala tattaqoona

    Toen Shoe’aib tegen hen zei: “Zullen jullie Allah dan niet vrezen?

  178. إِنِّى لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ۝١٧٨

    Innee lakum rasoolun ameenun

    Ik ben voor jullie een betrouwbare boodschapper.

  179. فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ۝١٧٩

    Faittaqoo Allaha waateeʿooni

    Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.

  180. وَمَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٨٠

    Wama asalukum ʿalayhi min ajrin in ajriya illa ʿala rabbi alʿalameena

    Ik vraag jullie hier geen beloning voor, mijn beloning is slecht bij de Heer van de werelden.

  181. ۞ أَوْفُوا۟ ٱلْكَيْلَ وَلَا تَكُونُوا۟ مِنَ ٱلْمُخْسِرِينَ۝١٨١

    Awfoo alkayla wala takoonoo mina almukhsireena

    Geef het volle maat en veroorzaak geen vermindering.

  182. وَزِنُوا۟ بِٱلْقِسْطَاسِ ٱلْمُسْتَقِيمِ۝١٨٢

    Wazinoo bialqistasi almustaqeemi

    En weeg met een goede en eerlijke weegschaal.

  183. وَلَا تَبْخَسُوا۟ ٱلنَّاسَ أَشْيَآءَهُمْ وَلَا تَعْثَوْا۟ فِى ٱلْأَرْضِ مُفْسِدِينَ۝١٨٣

    Wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum wala taʿthaw fee alardi mufsideena

    Bedrieg de mensen niet door hun zaken te verminderen, noch doe kwaad, veroorzaak corruptie en ellende in het land.

  184. وَٱتَّقُوا۟ ٱلَّذِى خَلَقَكُمْ وَٱلْجِبِلَّةَ ٱلْأَوَّلِينَ۝١٨٤

    Waittaqoo allathee khalaqakum waaljibillata alawwaleena

    En vrees Hem Die jullie geschapen heeft en de generaties van voorheen.”

  185. قَالُوٓا۟ إِنَّمَآ أَنتَ مِنَ ٱلْمُسَحَّرِينَ۝١٨٥

    Qaloo innama anta mina almusahhareena

    Zij zeiden: “Jij bent slechts één van de beheksten!

  186. وَمَآ أَنتَ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا وَإِن نَّظُنُّكَ لَمِنَ ٱلْكَـٰذِبِينَ۝١٨٦

    Wama anta illa basharun mithluna wain nathunnuka lamina alkathibeena

    Jij bent slechts een mens zoals wij en waarlijk, wij denken dat jij één van de leugenaars bent!

  187. فَأَسْقِطْ عَلَيْنَا كِسَفًا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّـٰدِقِينَ۝١٨٧

    Faasqit ʿalayna kisafan mina alssamai in kunta mina alssadiqeena

    Laat dus een stuk van de hemel op ons vallen als je tot de waarachtigen behoort!”

  188. قَالَ رَبِّىٓ أَعْلَمُ بِمَا تَعْمَلُونَ۝١٨٨

    Qala rabbee aʿlamu bima taʿmaloona

    Hij zei: “Mijn Heer is Alwetend over wat jullie doen.”

  189. فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَهُمْ عَذَابُ يَوْمِ ٱلظُّلَّةِ ۚ إِنَّهُۥ كَانَ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ۝١٨٩

    Fakaththaboohu faakhathahum ʿathabu yawmi alththullati innahu kana ʿathaba yawmin ʿatheemin

    Maar zij verloochenden hem, dus de bestraffing van de dag van de schaduw greep hen, voorwaar dat was de bestraffing van een geweldige dag.

  190. إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ۝١٩٠

    Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mumineena

    Waarlijk hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

  191. وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ۝١٩١

    Wainna rabbaka lahuwa alʿazeezu alrraheemu

    En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.

  192. وَإِنَّهُۥ لَتَنزِيلُ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ۝١٩٢

    Wainnahu latanzeelu rabbi alʿalameena

    En waarlijk, dit is een openbaring van de Heer van de werelden.

  193. نَزَلَ بِهِ ٱلرُّوحُ ٱلْأَمِينُ۝١٩٣

    Nazala bihi alrroohu alameenu

    Waarmee de betrouwbare ziel (Djibriel) neerdaalde.

  194. عَلَىٰ قَلْبِكَ لِتَكُونَ مِنَ ٱلْمُنذِرِينَ۝١٩٤

    ʿAla qalbika litakoona mina almunthireena

    Op jouw hart, dat je één van de waarschuwers moge zijn1.

    Voetnoten
    [1]dus als de Koran het hart niet bereikt zal er dus ook geen effect zijn, vandaar is het verplicht om kennis op te blijven doen zodat het hart ermee bereikt wordt, daarbij hoort ook het Arabische taal.
  195. بِلِسَانٍ عَرَبِىٍّ مُّبِينٍ۝١٩٥

    Bilisanin ʿarabiyyin mubeenin

    In de duidelijke Arabische taal.

  196. وَإِنَّهُۥ لَفِى زُبُرِ ٱلْأَوَّلِينَ۝١٩٦

    Wainnahu lafee zuburi alawwaleena

    En waarlijk, het is (aangekondigd) in de Boeken van vroegere volkeren.

  197. أَوَلَمْ يَكُن لَّهُمْ ءَايَةً أَن يَعْلَمَهُۥ عُلَمَـٰٓؤُا۟ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ۝١٩٧

    Awalam yakun lahum ayatan an yaʿlamahu ʿulamao banee israeela

    Is het geen teken voor hen dat de geleerden van de Kinderen van Israël het als (waarheid) kenden?

  198. وَلَوْ نَزَّلْنَـٰهُ عَلَىٰ بَعْضِ ٱلْأَعْجَمِينَ۝١٩٨

    Walaw nazzalnahu ʿala baʿdi alaʿjameena

    En als Wij het hadden geopenbaard aan één van de niet-Arabieren,

  199. فَقَرَأَهُۥ عَلَيْهِم مَّا كَانُوا۟ بِهِۦ مُؤْمِنِينَ۝١٩٩

    Faqaraahu ʿalayhim ma kanoo bihi mumineena

    En hij had het voor hen gereciteerd, dan zouden zij het niet geloofd hebben.

  200. كَذَٰلِكَ سَلَكْنَـٰهُ فِى قُلُوبِ ٱلْمُجْرِمِينَ۝٢٠٠

    Kathalika salaknahu fee quloobi almujrimeena

    En zo hebben Wij ervoor gezorgd dat het (ongeloof) de harten van de misdadigers binnentrad1.

    Voetnoten
    [1]omdat zij hun harten niet reinigen door middel van kennis vergaren en erna handelen daardoor wordt duisternis in het hart vermeerderd.
  201. لَا يُؤْمِنُونَ بِهِۦ حَتَّىٰ يَرَوُا۟ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ۝٢٠١

    La yuminoona bihi hatta yarawoo alʿathaba alaleema

    Zij zullen er niet in geloven totdat zij de pijnlijke bestraffing zien.

  202. فَيَأْتِيَهُم بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ۝٢٠٢

    Fayatiyahum baghtatan wahum la yashʿuroona

    Het zal plotseling tot hen komen, terwijl zij het niet beseffen.

  203. فَيَقُولُوا۟ هَلْ نَحْنُ مُنظَرُونَ۝٢٠٣

    Fayaqooloo hal nahnu muntharoona

    Dan zullen zij zeggen: “Kunnen wij uitstel krijgen?”

  204. أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ۝٢٠٤

    Afabiʿathabina yastaʿjiloona

    Zouden zij dan wensen dat Onze Bestraffing bespoedigd werd?

  205. أَفَرَءَيْتَ إِن مَّتَّعْنَـٰهُمْ سِنِينَ۝٢٠٥

    Afaraayta in mattaʿnahum sineena

    Zien jullie het dan niet als Wij hen nog jaren laten genieten,

  206. ثُمَّ جَآءَهُم مَّا كَانُوا۟ يُوعَدُونَ۝٢٠٦

    Thumma jaahum ma kanoo yooʿadoona

    En daarna komt tot hen die (bestraffing) die hen beloofd was!

  207. مَآ أَغْنَىٰ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يُمَتَّعُونَ۝٢٠٧

    Ma aghna ʿanhum ma kanoo yumattaʿoona

    Alles waarvan zij genoten zal voor hen niet nuttig zijn (het zal hun niet redden).

  208. وَمَآ أَهْلَكْنَا مِن قَرْيَةٍ إِلَّا لَهَا مُنذِرُونَ۝٢٠٨

    Wama ahlakna min qaryatin illa laha munthiroona

    En nooit hebben Wij een stad vernietigd zonder dat er waarschuwers waren –

  209. ذِكْرَىٰ وَمَا كُنَّا ظَـٰلِمِينَ۝٢٠٩

    Thikra wama kunna thalimeena

    Door een herinnering, en nooit waren Wij onrechtvaardig.

  210. وَمَا تَنَزَّلَتْ بِهِ ٱلشَّيَـٰطِينُ۝٢١٠

    Wama tanazzalat bihi alshshayateenu

    En het zijn niet de duivels die het (de Koran) hebben neergedaald.

  211. وَمَا يَنۢبَغِى لَهُمْ وَمَا يَسْتَطِيعُونَ۝٢١١

    Wama yanbaghee lahum wama yastateeʿoona

    Het zou hen (trouwens) niet passen, noch zouden zij daartoe in staat zijn.

  212. إِنَّهُمْ عَنِ ٱلسَّمْعِ لَمَعْزُولُونَ۝٢١٢

    Innahum ʿani alssamʿi lamaʿzooloona

    Voorwaar, het afluisteren van (de engelen) hun woorden was uitgesloten (d.m.v. vlammende sterren).

  213. فَلَا تَدْعُ مَعَ ٱللَّهِ إِلَـٰهًا ءَاخَرَ فَتَكُونَ مِنَ ٱلْمُعَذَّبِينَ۝٢١٣

    Fala tadʿu maʿa Allahi ilahan akhara fatakoona mina almuʿaththabeena

    Aanroep dus niet bij Allah een andere god omdat je tot degene zal behoren die een bestraffing zullen krijgen.

  214. وَأَنذِرْ عَشِيرَتَكَ ٱلْأَقْرَبِينَ۝٢١٤

    Waanthir ʿasheerataka alaqrabeena

    En waarschuw je naaste verwanten.

  215. وَٱخْفِضْ جَنَاحَكَ لِمَنِ ٱتَّبَعَكَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ۝٢١٥

    Waikhfid janahaka limani ittabaʿaka mina almumineena

    En verlaag je vleugens (wees nederig) voor de gelovigen die jou volgen.

  216. فَإِنْ عَصَوْكَ فَقُلْ إِنِّى بَرِىٓءٌ مِّمَّا تَعْمَلُونَ۝٢١٦

    Fain ʿasawka faqul innee bareeon mimma taʿmaloona

    En als zij jou niet gehoorzamen zeg: “Ik distantieer mij van wat jullie doen (als wij de Soennah als een spelletje zien dan zal de Profeet zich van ons distantieren, dus geen voorspraak op de dag des oordeels!)."

  217. وَتَوَكَّلْ عَلَى ٱلْعَزِيزِ ٱلرَّحِيمِ۝٢١٧

    Watawakkal ʿala alʿazeezi alrraheemi

    En leg je vertrouwen in de Almachtige, de Genadevolle, -

  218. ٱلَّذِى يَرَىٰكَ حِينَ تَقُومُ۝٢١٨

    Allathee yaraka heena taqoomu

    Degene die jou ziet wanneer je opstaat (voor het nachtgebed, dit is zeer belangrijk, ook al is het maar één keer per week).

  219. وَتَقَلُّبَكَ فِى ٱلسَّـٰجِدِينَ۝٢١٩

    Wataqallubaka fee alssajideena

    En jullie bewegingen onder degenen die neerknielen.

  220. إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ۝٢٢٠

    Innahu huwa alssameeʿu alʿaleemu

    Voorwaar! Hij, alleen Hij, is de Alhorende, de Alwetende.

  221. هَلْ أُنَبِّئُكُمْ عَلَىٰ مَن تَنَزَّلُ ٱلشَّيَـٰطِينُ۝٢٢١

    Hal onabbiokum ʿala man tanazzalu alshshayateenu

    Zal ik jullie vertellen op wie de duivels neerdalen?

  222. تَنَزَّلُ عَلَىٰ كُلِّ أَفَّاكٍ أَثِيمٍ۝٢٢٢

    Tanazzalu ʿala kulli affakin atheemin

    Zij dalen neer op elke leugenaar en zondig persoon.

  223. يُلْقُونَ ٱلسَّمْعَ وَأَكْثَرُهُمْ كَـٰذِبُونَ۝٢٢٣

    Yulqoona alssamʿa waaktharuhum kathiboona

    Die gehoor geeft, en de meesten van hen zijn leugenaars.

  224. وَٱلشُّعَرَآءُ يَتَّبِعُهُمُ ٱلْغَاوُۥنَ۝٢٢٤

    Waalshshuʿarao yattabiʿuhumu alghawoona

    En de dichters, de dwalenden volgen hen,

  225. أَلَمْ تَرَ أَنَّهُمْ فِى كُلِّ وَادٍ يَهِيمُونَ۝٢٢٥

    Alam tara annahum fee kulli wadin yaheemoona

    Zie je dan niet dat zij in iedere vallei over ieder onderwerp spreken in hun gedichten? –

  226. وَأَنَّهُمْ يَقُولُونَ مَا لَا يَفْعَلُونَ۝٢٢٦

    Waannahum yaqooloona ma la yafʿaloona

    En dat zij zeggen wat zij niet doen.

  227. إِلَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّـٰلِحَـٰتِ وَذَكَرُوا۟ ٱللَّهَ كَثِيرًا وَٱنتَصَرُوا۟ مِنۢ بَعْدِ مَا ظُلِمُوا۟ ۗ وَسَيَعْلَمُ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓا۟ أَىَّ مُنقَلَبٍ يَنقَلِبُونَ۝٢٢٧

    Illa allatheena amanoo waʿamiloo alssalihati wathakaroo Allaha katheeran waintasaroo min baʿdi ma thulimoo wasayaʿlamu allatheena thalamoo ayya munqalabin yanqaliboona

    Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en Allah veelvuldig gedenken. En zij die het goed maken na het plegen van onrecht. En betreft de onrechtpleger (die geen eerlijk berouw tonen) zullen er gauw achter komen tot welke plaats hun (uiteindelijke) terugkeer zal zijn.

Veelgestelde vragen

Wat betekent de naam van soera Ash-Shuara?

Ash-Shuara betekent ‘De dichters’.

In welke juz staat soera Ash-Shuara?

Soera Ash-Shuara staat in juz 19.

Hoeveel verzen heeft soera Ash-Shuara?

Soera Ash-Shuara telt 227 verzen.

Is soera Ash-Shuara Mekkaans of Medinaans?

Soera Ash-Shuara is een Mekkaanse soera.

Welk nummer heeft soera Ash-Shuara?

Ash-Shuara is de 26e soera van de Koran.

Bronnen

  • Arabic text: Tanzil Quran Text (Uthmani) (Tanzil Project, CC BY 3.0), reproduced without changes.
  • Translation: Dutch Islamic Center, from QuranEnc.com, version 2.0.10, reproduced without changes.
  • Transliteration: Tanzil.net English transliteration.
  • Recitation: Mishary Rashid Alafasy, via QuranicAudio.com and EveryAyah.com.
  • Word by word: recordings and meanings from Quran.com (Quran Foundation), played when you tap a word.
  • Madinah and IndoPak fonts (Settings): the text in those scripts and their fonts come from the Quran Foundation (Quran.com); the Madinah font is the King Fahd Glorious Quran Printing Complex's Uthmanic Hafs font.

Found a mistake? Report a mistake and we will check it against the source.

Leesinstellingen

Koranlettertype
Lettergrootte Arabisch
100%
Lettergrootte vertaling
100%
Thema

Zet op beginscherm

ReadSurahOpen ReadSurah schermvullend vanaf je startscherm. Soera’s die je al hebt gelezen, openen ook zonder internet.

  1. Tik in Safari op de deelknop. Op nieuwere iPhones staat die in het •••-menu.
  2. Tik op ‘Zet op beginscherm’. Scrol omlaag als je het niet ziet.
  3. Tik op ‘Voeg toe’.